Beerenstein
Bij de loting omvatte Lot No 1 de kavels 1 en 2, de helft van 3 en in het zuidelijk Park of Blok de kavels 24 en 25. De twee laatsten vormen de gronden waar later de hofsteden Beerenstein en Veld en Akker zouden verrijzen. Deze kavels bevinden zich dus in 1634 in handen van Mr. Cornelis Davelaer, die lot No 1 getrokken had en over wie in voorgaande bladzijden is gesproken. In de loop van de ontginning trad als eigenaar van kavel 25 op Claas Listingh Claesz. blijkens de transportbrief van 21 Februari 1646 betreffende Bousigt. Hij is dezelfde als Nicolaas Listingh die in 1658 de resolutie omtrent de bouw van de kerk onderteekende. In 1656 was hij Schepen. Dit kavel wordt nog tot het midden der 18e eeuw aangeduid als “vanouds Listingh”. De volgende eigenaar is Lambert Reyers, die gehuwd was met Anna Brouwer. Voor de erfgenamen van de familie Reyers trad in 1699 op Mr. Nicolaas Brouwer, advocaat te Amsterdam sinds 1715 Hoofdingeland terwijl hij 1705 als ingeland was gekozen. Verder was hij Schepen en Schout in 1702. Mr Brouwer overleed in 1717 of hij bedankte in dat jaar voor Hoofdingeland. Uit de transportacte d.d. 4 mei 1718 blijkt dat zijn gemachtigde de hofstede overdraagt voor F. 10.713,- aan Rogier Beerenaart. Hij noemde de hofstede naar zijn eigennaam en wel Beerenstein en deze was belend ten noorden Jan Hagen en ten zuiden de Weduwe van den Heer Gerrit Noppe die Veld en Akker bewoonde. Beerenaart nam geen functies waar in ‘s-Graveland. 31 juli 1724 ging Beerenstein over in handen van Nicolaas Asschenbergh die hiervoor F. 12.000,- betaalde. Asschenbergh, geboren te Amsterdam 30 December 1688 (1687) was laken winkelier, woonde eerst op de Nieuwendijk later in 1727 op de Heerengracht.
Als Hoofdingeland komt hij in ‘s-Graveland niet voor, wel als Schepen 1725,1726. Hij overleed 8 november 1727 en 9 April 1728 transporteerde zijn weduwe Sophia Harigers de hofstede aan Jan van Strijen die op de kaarten ook Jan genoemd wordt doch ook als Jacob bekend staat. Jan of Jacob van Strijen (1706-1746) was Raad, Schepen der Stad Amsterdam, Gecommitteerde Raad, Bewindhebber der O.I. Compagnie. In 1726 als Hoofdingeland verkozen, was hij in 1737 Schepen van ‘s-Graveland. Hij huwde 12 juni 1726 Geertruid Blaeu, die hem op jeugdige leeftijd in 1743 ontviel waarna hij spoedig hertrouwde met Vrouwe Eva Wilkens. Evenwel was de laatste spoedig weduwe daar van Strijen in 1746 overleed en werd zij bij gebreke aan andere nazaten universeel erfgename. Zij hertrouwde in hetzelfde jaar Mr. Steven van Muyden, secretaris van de gerechte van Utrecht. Op 16 September 1746 transporteerde Vrouwe Eva Geertruida Wilkens de hofstede Beerenstein aan haar echtgenoot, om reden dat hij dan eligibel zou zijn tot Hoofdingeland. De grootte bedroeg toen 22,5 Morgen en de koopprijs F. 5.000,- Ten noorden was de hofstede belend door Jan Hagen en ten Zuiden door Daniel du Peyrou. Mr. van Muyden werd in 1746 tot hoofdingeland benoemd en stierf in 1752. Een zoon van hem was Schepen van ‘s-Graveland 1751,1752.
14 Augustus 1752 transporteerden de kinderen van Wijlen Mr. Steven van Muyden de hofstede weer aan Vrouwe Eva Geertruida Wilkens, die het vruchtgebruik ontving. Om en nabij 1766 overleed laatstgenoemde en trad Jacob van Marken, secretaris van Weesp, Weespercarspel en Hoog Bijlmer op als gemachtigde voor Mr. Stephanus van Muyden, Jacob van Muyden en de Schepen Mr. Jacob Evert van Muyden, tezamen erfgenamen van wijlen Mevrouw Wilkens eerder weduwe van den heer van Strijen, laatst weduwe van Mr. Steven van Muyden om de hofstede Beerenstein op 11 Augustus 1766 te verkoopen voor F. 9.600,- aan Gerrit Banten.
Kort daarna 6 december 1766 transporteerde Gerrit Banten aan Mr. Francois de Witt, Regeerend Burgemeester van Amsterdam en Frans Lestevenon als executeuren van het testament van wijlen Elisabeth Lestevenon, weduwe van Mr Gerrit de Graeff, de hofstede.
Hun dochter Geertruid Johanna de Graeff was 2 oktober 1759 gehuwd met Mr. Isaac Ernst de Petersen. Mr. de Petersen, gedoopt 1 mei 1737 woonde op de Heerengracht tusschen ’t Koningsplein en Vijzelstraat en was Meesterknaap van de Houtvesterij van Gooiland In 1774 werd Baron de Petersen als Hoofdingeland van ‘s-Graveland verkozen. Bij scheiding van de boedel van wijlen Vrouwe Lestevenon werd Beerenstein toebedeeld aan Mevrouw de Petersen-geboren de Graeff. Of zij de hofstede bewoond hebben is niet na te gaan daar Baron de Petersen tevens eigenaar van Stadwijk was, 16 December 1783 overleed hij. Op 17 October 1790 huwde Geertruid Johanna de Graeff ten tweede male en wel met Francois Jacob van de Wall, edoch den 4den Januari daaropvolgend werd door het Gerecht van ‘s-Graveland scheiding van tafel en bed uitgesproken.
Zij bleef de hofstede bewonen. Op 6 Januari 1798 transporteerde Vrouwe de Graeff, gesepareerde huisvrouwe van den Heer Frans van der Wall, Beerenstein aan Mr Gerrit de Graeff en na haar overlijden 5 Juni 1801 werd opnieuw de hofstede verkocht d.d. 14 November aan Mr. Gerrit Corver Hooft en Ary van Royen, schout van ‘s-Graveland. De koopsom bedroeg F. 12.600,-.
28 December 1805 verkoopt de Schout van Royen zijn gedeelte voor F. 8.100,- aan Mr. Gerrit Corver Hooft wiens grondbezit steeds toenemende was. Bij acte 22 November 1806 ontving zijn dochter Vrouwe Maria Margaretha Corver Hooft bij donatie de hofstede. Zij was 28 oktober 1800 in het huwelijk getreden met Baron Snoukaert van Schauburg.
Daar zij zich elders vestigden verkoopt zij de 24ste December 1823 de hofstede Beerenstein aan haar broeder Mr. Jan Corver Hooft, eigenaar van Gooilust.
Nadien werd op 19 November 1831 de hofstede verkocht aan Jhr. Pieter Witsen Elias, grondeigenaar te ‘s-Graveland die in 1844 alle opstand voor afbraak verkocht en hier mee verdween de hofstede Beerenstein als zoodanig. Eenige woningen langs de dorpsweg bleven staan. Na deze transactie werd de bewoner van Gooilust wederom eigenaar van de lande Beerenstein.