In de Gloriosa

Brambergen

Brambergen

Hoewel deze boerenhofstede, zijnde van ouds kavel 6 ten tijde van Salomon Dedel, bij Boekesteijn was gevoegd, is het toch juist deze apart te behandelen daar de wordingsgeschiedenis geheel anders is en die in de beginne geheel beheerscht is door de invloed van de Heerlijkheid Ankeveen in dit dorp. Uitgaande al weer van de Cavelconditien zijn op 7 Juni 1634 de cavels 6 en 7 en het halve kavel 8 te zamen uitmakende 50 morgen toe bedeeld aan Benedictus Schaeck, heer van Ankeveen, die we in de inleiding reeds hebben leeren kennen. Hiervan behooren kavel 6 en 1O morgen van kavel 7 tezamen 30 morgen tot de Boerenhofstede Brambergen en de overige grond van kavel 7 en 8 tot het latere Sperwershof. Het boerenhuis van Brambergen is blijkens degevelsteen Anno 1634 gebouwd.

In 1662 werd een 1/2 morgen overgedragen aan Joan van Dijck, eigenaar van Boekestein zoodat gemelde boerenplaats 29 1/2 M groot bleef. Benedictus Schaeck, gehuwd met Elisabeth Sperwer droeg de hofstede over aan Joan de Walé heer van Ankeveen, die de heerlijkheid door aanhuwelijking ontving van zijn echtgenoote Geertrui Schaeck. Bij vererving kwam de hofstede aan een hunner kinderen Eva de Walé. Bij testament dd. 19 December 1724 institueert Eva de Walé tot hare universeele erfgename haar nicht Maria Elisabeth de Walé, de bekende ambachtsvrouwe van Ankeveen, aan wie de Ankeveensche bevolking veel verschuldigd is. Zij voldeed het recht der Collaterale successie 28 September 1725, doch bleef te Ankeveen op het Huys wonen. Nadat de Vrouwe van Ankeveen bij testament d.d. 9 oktober 1749 tot hare erfgenaam Godefridus Franciscus Cromhout had benoemd onder fidei commissair verband ten behoeve van Elisabeth Maria Cromhout, echtgenoote van Gerard, Baron van Wassenaar, overleed zij 3 Juli 1753. Tien jaar later verkocht Godefridus Cromhout het ‘s-Gravelandsch bezit voor F. 11.355,- aan Mr. Salomon Dedel waardoor de boerenhofstede voor goed bij Boekestein werd gevoegd.

Sperwershof

De kavels 7 en 8 zouden aan de toekomstige hofstede de noodige grond verschaffen. Benedictus Schaeck, heer van Ankeveen, hoofd ingeland van de Polder van ‘s-Graveland huwde 20 juni 1615 Elisabeth Sperwer, kleindochter van Claes Reijnierz koopman op het Rokin “in de Sperwer”. Volgens de in zwang zijnde opvatting zou de Sperwershof gesticht zijn door haar broeder Adriaan Dircksz. Sparwer. Eerder lijkt het mij voor de hand liggen dat Benedictus. Schaeck zelf zeer vermogend, de hofstede voor zijn vrouw heeft gesticht en haar naam eraan heeft verbonden. Anderzijds zal Adriaan Sparwer wel de gebruiker ervan zijn geweest. Hij was in 1646 Schepen van ‘s-Graveland doch is nimmer Hoofdingeland geweest. Nog meer pleit voor de gestelde opvatting dat na het overlijden van Benedictus Schaeck de ambachtsheeren van Ankeveen eigenaren worden. Evenals Brambergen komt ook Sperwershof aan Joan de Walé in 1665, die in 1714 overleed, waarna Maria Elisabeth de Walé eigenaresse werd.

Zooals we reeds eerder gezien hebben verkoopt de fidei commissaire erfgenaam Godefridus Cromhout, het ‘s-Gravelandsch bezit in 1736. De nieuwe eigenaar was Mr. Jan Berndt Bicker. Hij was de zoon van Mr. Jan Berndt en Johanna Sara Pels, die ‘s-zomers Schaep en Burgh bewoonden. Bicker, geboren 26 Februari 1733, was lid van het handelshuis Andries Pels en huwde 27 juni 1758 Catharina Boreel, die ons zoo aardig geteekend is in “Een hofdame uit de 18e Eeuw” en wier tweede huwelijk met Claude de Narbaune de Saligas, het onderwerp vormde voor “Een Liefde in Kennemerland” eveneens door Mevrouw van Zeggelen geschreven. Mevrouw Catharina Bicker, geboren Boreel bleef na den dood van haar echtgenoot in 1774 de Sperwershof niet meer bewonen en verkocht het bezit aan Mr. Nicolaas Warin Az op de 4e mei 1775 voor F. 7.500,- Deze was om en nabij dezelfde tijd door zijn echtgenoote Vrouwe Susanne Sophia Dedel in het bezit gekomen van Boekestein. Evenwel transporteerde Warin reeds drie jaar later de Sperwershof aan Vrouwe Jacoba Elisabeth Dedel. Zij vergrootte de hofstede in 1806 met den grond aan het Ankeveensche pad, in de wandeling genoemd ’t Paadje waarop een bleekerij stond, die sedert dien is afgebroken. De hofstede lag be-oosten de moestuin, dus meer naar het Paadje toe. In 1819 werd de hofstede toegekend aan Mevrouw Jacoba van Weede, geboren Warin, die anno 1816 gehuwd was met Jhr. Willem van Weede (1778-1861) Zij overleed te Doorn 1838 en acht jaar later kwam de hofstede bij scheiding aan haar echtgenoot die te ‘s-Graveland op 25 Februari 1861 overleed. Vijf van de zeven kinderen zagen het levenslicht het eerst in ‘s-Graveland.

Zijn dochter Jonkvrouwe Carolina van Weede verkreeg de bezitting. Zij was 17 Mei 1822 op de Sperwershof geboren. Op 29 december 1877 werd Sperwershof verkocht aan Jhr. Pieter Samuel Dedel, die in 1846 geboren was en ongehuwd te Hilversum den 7en November 1881 overleed. Hij was een broeder van Jhr. Willem Gerrit Dedel van Schaep en Burgh. Na den dood van Jhr. Pieter Samuel viel de Sperwershof terug aan zijn vader Jhr. Mr. Cornelis Dedel als eenige erfgenaam, uit wiens boedel in 1885 het bezit toegescheiden werd aan zijn dochter Jonkvrouwe Johanna Isabella Dedel (1842—1918) die in 1865 was gehuwd met Mr. Willem Baron Röell. Daar het oude huis te klein was en in verval raakte liet Baron Röell het thans bestaande huis bouwen en bracht er de zomers door. In zijn woonplaats Amsterdam was hij wethouder verder lid der Gedeputeerde Staten van N. Holland en Kamerheer i.b.d. van H.M. de Koningin. Bij zijn overlijden 15 Mei 1915 kwam Sperwershof aan zijn zoon Jhr. Mr. Dr. Willem Frederik Röell die met zijn echtgenoot Baronesse Sloet van Marxveld vele jaren eerst ‘s-zomers, later ook het geheele jaar de buitenplaats bewoonde. Thans wordt het huis niet meer door de familie bewoond. Inmiddels is op de plaats een nieuw modern landhuis verrezen dat door Jhr. Ir. Jan Röell gehuwd met Jonkvrouwe Sophia Feith betrokken is.