Gravenhoek, Swaenenburgh of Coddensplaats

Zooals bij vele andere hofsteden gewoonte was, was het gebruikelijk een hofstede aan te duiden met de naam van zijn bewoner. Pas later werd een eigen naam gegeven aan de hofsteden, waarmee deze dan gewoonlijk in de acten voorkomen. De plaats waar het latere ‘s-Gravenhoek en Swaenenburgh zouden verrijzen, werd eerst bestempeld met de naam van Coddden’s Plaats. Bij de verdeeling der kavels op 7 Juni 1634 kwamen deze gronden aan Mr. Cornelis Davelaer.
Hij was in 1582 te Amsterdam geboren en een der eerste zes Hoofdingelanden van de Polder. Als stadsadvocaat en ruiteraanvoerder hebben we hem als zoodanig in voorgaande hoofdstukken ontmoet. Van een huis ter plaatse was nog geen sprake. Bij zijn overlijden in 1640 kwamen deze gronden aan zijn weduwe Anna Ter Steeg en zijn zoon Johan Davelaer en besloegen een oppervlakte van 56 Morgen. Zij ontdeden zich al spoedig van hun bezit en verkochten 21 Maart 1641 alles aan Maerten Codde, die stamde uit het Roomsch-Katholieke geslacht en in 1580 te Amsterdam was geboren. Zijn volle neef Pieter Codde (1605-1667), de zoon van Maertens broeder Adriaan Andries, de bekende dichter, droeg hem een dichtwerk, “Herdoopers aenslagh” op.
Maerten Codde heeft op, deze gronden een huis doen bouwen op het meest oostelijk gelegen gedeelte, dat eerst in 1792 als ‘s-Gravenhoek bekend is. Hij was hoofdingeland in 1642 en was tevens penningmeester van de Polder. Niet lang heeft hij zich in het bezit mogen verheugen want, op 3 Januari 1650 overleed hij, waarna zijn zuster Anna Codde de plaats is blijven bewonen en er in 1672 stierf. Daar inmiddels hun broeder Pieter in 1659 overleden was kwam de plaats in 1678 aan de vier nagelaten kinderen van Pieter Codde. Maerten, Nicolaes, Maria (gehuwd met Frederik Blommert) en Petrus Codde, de bekende Aartsbisschop. De familie Codde hield alles bijeen tot 1788, ook de familie Blommert woonde hier en kinderen trouwden blijkens de trouwboeken in dit dorp. Ondertusschen blijkt dat het meest westelijk gelegen gedeelte van Codden’s Plaats in andere handen was overgegaan of althans door een zwager was bewoond van Anna Codde. Dit stuk land, waar eveneens een hofstede was gebouwd, is genoemd naar Jan de Swaen (1610-1678) en wel “Swaen Plaets”. De Swaen was ingeland van de Polder en Schepen van ‘s-Graveland van 1677-1678. De naam van deze hofstede leefde voort tot 1797. Toen pas voor het eerst werd er van Swaenenburgh gesproken. In 1788 op 5 April werden de gezamenlijke gronden mitsgaders heerenhuijzinge, boerenwoning, stalling en koetshuys voor F. 24.000,- verkocht aan Gerard van Blijenburgh te Amsterdam die kort daarna eerst het westelijke gedeelte, dat van nu af Swaenenburgh heette, nadien het oostelijke gedeelte of ‘s-Gravenhoek voor F. 10.275,- verkocht. Gregorius ’t Hoen werd 3 April 1790 eigenaar van Swaenenburgh en twee jaren later op 18 April 1792 werd Christiaan Blom van Weesp bezitter van ‘s-Gravenhoek voor F. 15.000,- Gregorius ’t Hoen, zoon van Willem ’t Hoen, stierf 27 Januari 1805. Zijn weduwe, Machtelina Hendrika Kol als universeel erfgenaam, verkoopt de buitenplaats in veiling op 5 Augustus 1805 aan Isaac Hodshon, die reeds het naburige Schaep en Burgh bewoonde. Hodshon (1772-1855) was 25 Maart 1798 gehuwd met Isabella Dedel, woonde’s-winters op de Heerengracht 460 bij de Spiegelgracht en ‘s-zomers buiten op Schaep en Burgh, waar hij een groote staat voerde. Inmiddels had Christiaan Blom nog eenige perceelen weiland erbij gekocht, de Paardecamp en de Bijlecamp. De onrustige tijden werkten de snel opeenvolgende verkoopingen in den hand.
s-Gravenhoek was 18 Maart 1797 in handen gekomen van Hendrik Mielmershuizen, die een maand later alles verkocht aan de Burgers Arij van Roijen, Benedictus van Holij, Lambert Reijmerink en Hendrik Schoonhoven. Evenwel verkoopen zij 3 Februari 1798 het bezit aan George Matthes voor F. 14.400,-, die in 1747 te Amsterdam was geboren en aldaar overleed 8 April 1801 en wiens weduwe Maria Judith de Neuwirth hertrouwde met Pierre de Lesné Harel, iemand uit de omgeving van het Hof van Koning Lodewijk. Zij verkocht 14 April 1804 de hofstede aan Isaac Hodshon. Toch had Isaac Hodshon, die nu een omvangrijk bezit bij elkaar had, een afschrik van ‘s-Graveland gekregen door het krijgsrumoer in den lande en ging ‘s-zomers logeeren bij zijn zuster op Oud-Berkenrode, niet lang daarna verkocht hij het geheele bezit aan Jhr Willem van Loon, over wiens persoon in den breede gesproken zal worden bij de beschrijving van Schaep en Burgh. Jhr. Willem van Loon, gehuwd met Anna Louise Agatha van Winter overleed buiten iemands tegenwoordigheid onder een boom bij de Lage Vuursche den 11en October 1847. Mevrouw van Loon van Winter bleef met haar talrijk gezin Schaep en Burgh bewonen tot haar dood in 1877 waarna het geheele bezit werd verdeeld. Jhr. Mr. Cornelis Dedel koopt hieruit Schaep en Burgh en Swaenenburgh kwam aan Jkvr. Agnes Henriette van Loon (1829-1902) die in den echt werd verbonden met Leonard Beels van Heemstede. De oude hofstede werd gesloopt en het thans nog bestaande huis werd door hen onder leiding van Dr. Cuijpers gebouwd.
‘s-Gravenhoek en het achterste stuk van Schaep en Burgh vielen toe aan Jkvr. Caroline Wilhelmina van Loon die op Schaep en Burgh in 1833 was geboren. Zij huwde in 1857 te Amsterdam Mr. Maurits J. van Lennep (1830-1913) en liet het tegenwoordige huis, nu Bantam, bouwen en overleed aldaarin 1899. Na den dood van Mevrouw Beels van Heemstede ging Swaenenburgh over aan de familie Tindal, die in 1910 het bezit verkocht aan den Heer Wreesman, die in 1915 opgevolgd werd door Hendrik Willem van Marle, waarna in 1922 de buitenplaats aan de architect F. A. Eschauzier verkocht werd. Een scheiding werd aangebracht. Het heerenhuis en het grootste deel van de buitenplaats kwam in handen van den Heer R. Dooyes, terwijl de verkooper een kleiner gedeelte behield. Lag ‘s-Gravenhoek nog binnen ‘s-Graveland, het nieuwe huis Bantam lag in de gemeente Hilversum. Nadat eerst Charles Henrij Labouchere, lid van de firma Hope & Co en gehuwd met Ethel Dora Monroe, Bantam had bewoond tot zijn overlijden in 1916, werd het huis verhuurd, waarna in 1919 zijn broeder Louis Anne Labouchere, die, na het overlijden van Jkvr. de Casembroot in 1919 ten tweede male gehuwd was met Ludolphine Marie Anne Barones van Heemstra, het buitengoed betrok. De eerste dochter uit het tweede huwelijk werd nog in ‘s-Graveland, eigenlijk gemeente Hilversum geboren doch kort daarna in 1924 werd Bantam door hem verkocht aan de gemeente Bussum, die het huis en plaats verhuurde. De familie Heybroek heeft het huis bewoond tot …