Aantekeningen |
- Op 18 augustus 1552 werd hij, na het overlijden van zijn oom Henrik Jansz Taats, beleend met het huis
Wynestein
gelegen in het overeind Jutphaas.
?b?Ligging ?/b? Tussen het Fort van Jutphaas en de Plettenburgerbaan in de gemeente Nieuwegein.
?b?Andere benaming ?/b? ?b?Wyndenstein?/b?
?b?Ontstaan?/b? Het kasteel is rond 1382 gebouwd.
?b?Geschiedenis ?/b? In de middeleeuwen en ten tijde van de Republiek lag het huis Wijnestein in het Overeind van Jutphaas, ??n van de twee gerechten binnen het kerspel Jutphaas, die van elkaar waren gescheiden door de Vaartse Rijn. Dit veengebied was al voor het graven van dit kanaal in 1122 ontgonnen, in elk geval voor 1076. Aan de ontginningsbasis, de Jutphasewetering, ontstond in de tweede helft van de 13e of het begin van de 14e eeuw een reeks van kastelen, een situatie vergelijkbaar met die langs de Langbroekerwetering. Bouwheren waren veelal opgeklommen boeren, ministerialen en nazaten van de oorspronkelijke kolonisten.
Het bestaan van Wijnestein blijkt voor het eerst omstreeks 1382, wanneer Floris van Jutphaas 'een huys ende een hoeve lants, ghelegen in den kerspel van Jutfaes ter naescap van Scalcwijc' van de bisschop van Utrecht in leen blijkt te houden. Floris bezat zijn leen in ieder geval al in 1379, toen bij de verkoop van een stuk land aan het kapittel van St. Jan te Utrecht zijn Stichtse leen als belening werd vermeld. In 1394, als Floris op 21 maart door de nieuw aangetreden bisschop Frederik van Blankenheim herbeleend wordt met het goed, wordt de naam van het huis voor het eerst genoemd: 'Wyndenstein'.
In de vijftig jaar na deze eerste vermelding wisselde het huis met de bijbehorende grond regelmatig binnen de (schoon)familie van eigenaar zonder dat duidelijk is wat hiervoor de reden was. In 1416 droeg Floris het leen over aan zijn schoonzoon Willem van Lockhorst, die het echter zes jaar later aan een familielid van zijn schoonmoeder Wendelmoede van den Wael, namelijk Alert van den Wael doorgaf!.
Mogelijk is dit laatste een aanwijzing dat Wijnestein geen erfgoed van de familie van Jutphaas was, maar door Wendelmoede als bruidsschat ingebracht was. Na nog vererfd te zijn op Alerts zonen Willem en Herberen, die er in 1430, respectievelijk 1434 mee werden beleend, was het huis in 1445 weer in handen van Agnes van Jutphaas, dochter van Floris, en haar man Willem van Lockhorst. Dezen droegen het goed over op Bartholomeus van Jutphaas die er in 1450 mee werd beleend. Zeven jaar later blijkt hij overleden te zijn en kreeg zijn zoon Floris het in handen, op dat moment nog een kleuter. Zijn moeder, Henric Willemsdochter, zal dan ook het bewind op Wijnestein hebben gevoerd totdat hij in 1471 de volwassen leeftijd had bereikt.
Tijdens de Stichts-Hollandse oorlog van 1481-83 werden op 10 oktober 1481 vrijwel alle adellijke huizen in Jutphaas, zowel in het Nedereind als in het Overeind, door een Hollands leger verwoest. Ook Wijnestein ontkwam hier niet aan en werd in brand gestoken. Hoewel Floris van Jutphaas het kasteel pas in 1500 van de hand deed, is het de vraag of hij het zelf na de verwoesting hersteld en weer bewoonbaar heeft gemaakt. Mogelijk vormden alleen de bijbehorende landerijen nog een aantrekkelijk bezit. Tussen 1500 en 1508 wisselde het leengoed namelijk tweemaal van eigenaar, wat niet wijst op een gedurige bewoning en onderhoud van het gebouw. Pas nadat Henrick Taets het in 1508 had verworven, kwam het in vastere hand: het bleef in zijn bezit tot zijn dood, omstreeks 1552, en zal in deze periode dan ook waarschijnlijk weer als huis van stand hebben gefunctioneerd. Na zijn dood kwam Wijnestein aan de zoon van zijn zus Anna, Johan van Eck. Zowel uit een eerder huwelijk als uit zijn tweede met zijn nicht Alida van Eck had hij zonen, respectievelijk Bartholomeus en Henrick.
Na Johan's dood ontstond er dan ook een twist over de erfopvolging en beide zonen lieten zich op 30 oktober 1574 met Wijnestein belenen; Henrick door middel van een vertegenwoordiger wegens zijn jeugdige leeftijd.
Hoewel Bartholomeus van Eck als eerstgeborene de beste papieren had, was het toch zijn halfbroer Henrick aan wie hun vaders erfdeel toeviel, naar verluid door gestook van zijn moeder Alida.
Door deze familiestrijd en door het feit dat Henrick zich later, na zijn tweede huwelijk met Ida van Bronkhorst, op het haar toebehorende kasteel van Werkendam vestigde, raakte Wijnestein in verval. Het goed werd voornamelijk nog gebruikt als onderpand voor leningen en een deel van de landerijen werd van de hand gedaan, totdat het complex in 1606 werd verkocht aan Peter van der Burg en zijn vrouw Delania van Sneek, die het huis weer herstelden en bewoonden. Kort na elkaar, in 1626 en 1627, overleden man en vrouw, waarna het huis bewoond bleef door hun beide zonen Fran?ois en Peter. Formeel was Fran?ois, de oudste, tot zijn dood in 1648 de leenman en eigenaar, waarna zijn broer ermee werd beleend. Toen deze in 1674 stierf: liet hij een weduwe, Cornelia van Craneveld, en twee zonen, Peter en Cornelis Fran?ois, achter op Wijnestein. Van deze drie was het Cornelis Fran?ois die, na de dood van zijn moeder in 1703 en zijn broer in 1705, samen met zijn vrouw lda Margareta Broersema als laatste eigenaar het huis bewoonde. Kinderloos overleden ze beiden in het voorjaar van 1723.
Het landgoed vererfde op (verre) familieleden die het huis niet meer bewoonden, waardoor het in de volgende 25 jaar verviel. Tot haar dood in 1742 behoorde het toe aan Margareta Maria van der Burg, een nicht van de erflaters, waarna het eigendom bij een groep neven en nichten van haar kwam te berusten. Op 22 december 1753 verkochten zij het huis en de landerijen bij openbare veiling aan Jan Jacob de Geer van het naburige Rijnhuizen. Het jaar daarop liet deze het huis slopen en voegde de grond bij zijn land.
Het huis Wijnestein wordt voor het eerst afgebeeld op de kaart die de landmeter Verstralen in 1626 maakte voor het kapittel van Oudmunster. Betrouwbaarder is de tekening van Roelant Roghman, die laat zien dat het kasteel in de jaren veertig van de 17e eeuw bestond uit twee evenwijdige, rechthoekige bouwblokken onder evenwijdige zadeldaken tussen bakstenen trapgevels met aan de westzijde nokschoorstenen. De beide blokken bezaten ieder twee woonlagen en een onderhuis. Doordat het achterste bouwblok aan de westzijde langer was dan het voorste bouwblok, ontstond de mogelijkheid op de noordwesthoek een kleine binnenplaats te situeren.
De rijk gebeeldhouwde en versierde toegangspoort met geblokte pilasters, fries en een gebroken halfrond fronton wijst op een verbouwing in het eerste kwart van de 17e eeuw. Deze datering is in overeenstemming met de geblokte ontlastingsbogen en de Vlaamse gevel. Aangezien de poort een vroegere kelderopening doorsneed, moet worden geconcludeerd dat deze poort alsmede alle hiervoor beschreven vroeg 17e-eeuwse details behoren bij een jongere bouwfase dan het hoofdvolume. Het gebouw zelf dat qua hoofdvolumes een sterke overeenkomst vertoonde met Zuilenburg in Nederlangbroek, zou uit de eerste helft van de 16e eeuw of zelfs uit het einde van de 15e eeuw kunnen dateren. Waarschijnlijk hebben we te maken met een herstel na de verwoesting tijdens de Stichts-Hollandse oorlog van 1481-1483. De aanwezigheid van een spaarboog onder de toegangsbrug zou een aanwijzing kunnen zijn dat evenals bij Zuilenburg en Oudegein een oudere woontoren in het gebouw verborgen zou kunnen zijn. Dit lijkt te worden bevestigd door het in 1989 uitgevoerde archeologisch weerstandsonderzoek. Aan het licht kwamen een rechthoekig plattegrond met een verdeling in een vierkante ruimte van ca 5 x 5 m binnenwerks en een ruimte van 5 x 8 m. Aansluitend was met enige moeite aan de noordzijde een tweede gebouw te traceren, dat we kunnen relateren aan het beeld dat door Roghman en Jan de Beijer werd vastgelegd. Tegen de linkerzijgevel was ten tijde van Roghman een houten aanbouw op palen aanwezig, waarin ongetwijfeld de spoelkeuken was ondergebracht. Zoals boven reeds gezegd werd het gebouw in 1754 gesloopt.
Het door een gracht omgeven gebouw was toegankelijk via een hoge houten brug op eenvoudige bakstenen pijlers.
Over de ligging van de bijgebouwen bestaat geen zekerheid. Op de tekening van Jan de Beijer ziet men ter linkerzijde van het huis aan de overzijde van de gracht een gebouw onder een rieten zadeldak met de nok haaks op de gracht en een smallere aanbouw aan de achterzijde. De grote inrijpoort wijst op een functie als koetshuis of iets dergelijks. De bakstenen schoudergevel laat een datering in dezelfde tijd als de verbouwing van het huis in het eerste kwart van de 17e eeuw toe. De functie van een tweede bakstenen gebouw met pannen zadeldak is onduidelijk.
Over de verdere inrichting van het terrein bestaat veel onduidelijkheid. Op de kaart van 1770 van het landgoed Rijnhuizen zien we op het omgrachte terrein van het afgebroken huis nog een eenvoudig gebouwtje wat mogelijk als een duiventil moet worden ge?nterpreteerd.
In 1995 werd door de ROB aanvullend onderzoek gedaan op het kasteelterrein. Tot dan resteerde van het huis alleen een omgracht eilandje en een rechthoekig omgracht voorterrein. Na dit onderzoek is voor de aanleg van het industrieterrein Plettenburg de gracht rond het eilandje gedempt en is de plaats gemarkeerd door een heuvel.
De gracht rond het voorterrein is vergraven tot een singel en het terrein werd ge?galiseerd. Hierbij werden de resten aangetroffen van een 14e eeuwse houten brug en 14e eeuws muurwerk. Het voorterrein werd verder onderzocht met behulp van weerstandsmetingen en grondboringen. Hierbij werd vastgesteld dat zich nog funderingen van de bijgebouwen in de grond aanwezig zijn. Deze resten zijn daarna voor een deel aangetast door de aanleg van het industrieterrein.
Bewoners 1382 - 1416 Floris van Jutphaas
1416 - 1422 Willem van Lockhorst
1422 Alert van den Wael
1430 Willem van Wael
1434 Herberen van Wael
1445 Agnes van Jutphaas, getrouwd met Willem van Lockhorst
1450 - 1455 Bartholomeus van Jutphaas
1455 - 1500 Floris van Jutphaas
1508 - 1552 Henrick Taets
1552 - 1574 Johan van Eck
1574 Henrick van Eck
1606 - 1627 Peter van der Burg, getrouwd met Delania van Sneek
1627 - 1648 Fran?ois van der Burg
1648 - 1674 Peter van der Burg, getrouwd met Cornelia van Craneveld
1674 - 1703 Cornelia van Craneveld
1703 - 1723 Cornelis Fran?ois van der Burg
1723 - 1742 Margareta Maria van der Burg
1742 - 1753 familie van der Burg
1753 Jan Jacob de Geer
Huidige doeleinden Het kasteelterrein met de verhoging is een nu een stuk land, dat op de gemeentelijke monumentenlijst staat.
Opengesteld Het kasteelterrein is vrij toegankelijk.
Foto's Foto van de heuvel waarop vroeger het kasteel gestaan heeft Foto van de heuvel waarop vroeger het kasteel gestaan heeft Oude gravure van het kasteel
Bronnen Tekst: Kastelen en rdderhofsteden in Utrecht
Historische Kring van Nieuwegein
R. van der Mark, Nieuwegein - Wijnestein, In: Archeologisch Jaarboek Provincie Utrecht 1994-1995, blz. xx
Foto 1 en 2: uit eigen collectie
Afb. 1: boek: Provincie Utrecht, 1966
Afb. 2: Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht
|