Schaep en Burgh

Bij de cavelconditiën van 1634 viel het gehele kavel waar later Schaep en Burgh zou verrijzen ten deel aan: Abel Matthijsz Burgh. De grootte bedroeg 48 Morgen en 400 Roeden en uit de beschrijving blijkt dat Burgh een aanzienlijke hofstede op deze gronden heeft doen bouwen met een inrijpoort annex woning voor de portier en bouwhuizen als latere Oranjerie en stallen ter weerszijden van de inrit. De hofstede werd aangeduid in zijn boedelpapieren als “de groote hofstede en landen in ‘s-Graveland”. In de stichting van de hofstede heeft Burgh’s zwager Simon Schaep Gerritz. een werkzaam aandeel gehad; niet alleen hier doch ook in Amsterdam bestond een nauwe relatie tussen hen beiden.
Abel Matthijsz. Burgh heeft zijn vermogen aangewend om de ontginning van ‘s-Graveland te bevorderen. Hij was geboren in 1850 en was 18 Januari 1609 getrouwd met Maria Cornelisdr. Queeckel. Daar hij blijkbaar geen zin had in het vak van zijn vader, Matthijs Coenraads, die bierbrouwer was “In den Burgh” op de Oudezijdsvoorburgwal, verkocht hij zijn aandeel aan zijn zwager Simon Schaep. Overigens vielen hem geen regerings betrekkingen ten deel. In 1634 werd hij, zijnde ondernemer, tot Hoofdingelande gekozen, welke functie hij evenals die van dijkgraaf tot zijn dood in 1646 heeft vervuld. Daar Burgh kinderloos overleed, zijn echtgenote was hem reeds in 1644 ontvallen, werd 6 November 1646 een overeenkomst gesloten tot verdeling van de boedel.
De erfgenamen waren:
- Christina Boelen, dochter van Dirck Boelen en Cecilia Matthijsdr. Burgh en weduwe van de Alkmaarse burgemeester Gerrit van Nijenburgh, wier belangen werden waargenomen door haar neef Mr. Paulus van Swaenenburgh, oud-Schepen van Leiden.
- Clara Coenraadtsdr. Burgh, weduwe van Albert Velikert.
- Catharina Burgh, was gehuwd met Dirck Geurtsz van Beuningen en was de moeder van de alom bekende staatsman Coenraad van Beuningen.
- Gerard Simonsz Schaep, enige zoon van Simon Gerritsz en Elisabeth Matthijsdr. Burgh.
- Dr. Albertus Coenraadsz. Burgh, de gezant van hunne Hoogmogendheden voor Rusland. Bij loting viel één der vrijwel minste stukken aan Gerard Schaep toe, doch reeds 9 April 1647 kocht hij van Mevrouw van Nijenburgh de haar toegevallen woning, hofstede en stal en 3 Januari 1648 van Mevrouw Velikert-Burgh de boomgaard en wat daarbij behoorde. Gerard Schaep huwde 6 September 1622 de bevallige Maria Spiegel, aan wie Vondel een lofdicht wijdde en wier tante, Annetje Jansdr. Spiegel, gehuwd was met Anthonij Oetgens van Waveren, de stichter van Spiegelrust.
Gerard Schaep was Burgemeester van Amsterdam in 1637 gecommitteerde
Raad van Holland en West-Friesland en in 1644 gezant van Denemarken daarnaast ambachtsheer van Kortenhoef.
Behalve een goed regent te zijn, was hij zeer literair ontwikkeld en werd tot Opperhoofd der Rederijkerskamer “In liefde Bloeiende” gekozen. Na zijn overlijden in 1666 kwam de hofstede bij testament aan Jan Bent Schaep, zoon van zijn neef Gerrit Pietersz Schaep, die niet veel plezier van het legaat heeft gehad, daar hij reeds op 6 Juli 1666 kwam te overlijden, nadat hij elf jaar tevoren gehuwd was met Margaretha Backer, die hem een enige dochter Maria had geschonken, geboren den 25en Maart 1658.
Voor de minderjarige Maria trad als voogd op haar oom Pieter Schaep, waarna zij als negentienjarige in het huwelijk trad te Sloterdijk met Mr. Hendrik Bicker, zoon van Hendrick Bicker en Eva Geelvinck. Zij hebben de hofstede bewoond nadat het rumoer der Fransen verdwenen was. Hij was Amsterdammer van geboorte en klom snel van de lagere regeringscolleges op naar de hogere.
In 1685 was hij Schepen en in 1713-1717 tot de burgemeester gekozen. In 1680 was hij Hoofdingeland van de Polder van ‘s-Graveland tevens Hoofdingeland Kerkmeester en volgde Cornelis Tromp op als Dijkgraaf, hetgeen hij bleef tot zijn dood op 1 Augustus 1718. Nadien bleef zijn weduwe Schaep en Burgh bewonen, terwijl haar oudste zoon Mr. Hendrik Bicker, na op 31 Maart 1723 hertrouwd te zijn met Catherina Cornelia Backer, de hofstede Hilverbeek bewoonde. De Jongere broeder Mr. Jan Bernt Bicker nam bij de dood van zijn moeder in 1725 “de groote hofstede te ‘s-Graveland” over.
Mr. Jan Bernt was 12 Augustus 1695 te Amsterdam geboren en bekleedde sedert 1717 de functie van Secretaris, werd Schepen in 1739, daarna Drossaard en Kastelein van Muiden. Baljuw van Naarden en Gooiland, Dijkgraaf van Weesp en Weespercarspel; in 1724 tot Hoofdingeland van ‘s-Graveland gekozen, volgde hij in 1738 zijn oudere broeder Mr. Hendrik als dijkgraaf op en vervulde dit ambt tot zijn dood 1 November 1725. Hij was gehuwd op 6 November 1720 met Johanna Sara Pels, geboren 11 November 1702 en dochter van Andries Pels, de stichter van het vermaarde handelshuis Andries Pels en Zoon. Mr. Jan Berndt heeft zijn bezittingen uitgebreid met een strook heide, het z.g. Naarderveld, hetgeen gevolgd werd door andere bezitters der hofsteden. Waarschijnlijk heeft hij het tegenwoordige huis doen bouwen met stal en oranjerie op het voorplein. Zoals we later zullen zien werd het huis na de 19e eeuw aanzienlijk verbouwd. 23 Juli 1751 verklaarde de weduwe Joha- Sara Pels op de naam van haar zoon Hendrik 20 Morgen land te stellen omdat hij dan ‘eligibel’ (geschikt) zou zijn om tot hoofdingeland te worden verkozen. Zes jaren later, 24 Augustus 1757, werden door haar opnieuw 20 morgen land gesteld op naam van Andries Bicker met hetzelfde doel. Mevrouw de wed. Bicker-Pels overleefde haar man nog ruim veertig jaren en bewoonde de hofstede met haar tien kinderen, die zij zag huwen en was tevens getuige van de geboorte van vele van haar kleinkinderen. Haar zoon Jan Berndt in 1753 met Catharina Boreel gehuwd, verbleef ‘s-zomers op de Sperwershof en zo stelde de oude Mevrouw, die op 89 jarige leeftijd overleed, levendig belang in alles wat ‘s-Graveland aanging. De gastvrijheid op de Lusthof van Mevrouw Bicker-Pels was spreekwoordelijk. In 1772 logeerde haar schoonzoon, de schout bij nacht Pieter Hendrik Reijnst, getrouwd met Jeanne Sara Bicker er tegelijk met de dichteres Julia Cornelia de Lannoy. Deze droeg aan Reijnst, het volgende klinkdicht op, terwijl zij zelf door koortsen geplaagd werd:
Aan den Heer Schout bij Nacht Reijnst.
Heer zeeheld die zoo trouw mijn welzijn gadeslaat,
Sinds U mijn vreede koorts voor mijn behoud doet waken
die alle lekkernij mij wijselijk doet verzaken
ja zelfs geen brokje taart met vreede proeven laat
‘k Erken gelijk t-behoort die goedheid zonder maat
maar denk of uw belang mij ook aant-hart moet raken?
Spreek, zou een stukje ham uw lust ook gaande maken?
Een stukje ham, mijnheer t-weer zeker gansch niet kwaad.
Wat zal ik U op mijn beurt met mijn zorg vereeren
mogt toch mijn kille plaag mij van tafel weeren
‘k beloof U dat ik geen oogwenk zal ontstaan.
Maar heb ik niet al reeds mijn vijandin verbeden?
mij dunkt haar schicht verstompt, zij luistert naar de reden
Heb dank, uw post heeft uit ik vang den mijnen aan.
In haar verzamelde werken, uitgegeven in 1780, komt nog een gedicht voor, dat veel plechtiger toon heeft en op de Lustplaats Schaapenburgh te ‘s-Graveland toebehorende aan Mevrouw de Weduwe Bicker, geboren Pels gemaakt is.
Op den huize Schaepenburgh te ‘s-Gravelant 1772.
Verrukkelijk Schaapenburg, vermaak van ieders oogen,
Wat al bekoorlijkheid biedt ge Uw bewonderaars aan
Deed hier natuur of kunst het schoonst het edelst pogen
Mij dunkt ik zie ze om strijd elkaar te boven gaan.
Doch haar vereende zorg moog vrij mijn zinnen strelen
Dat vrij bij ieder stap een nieuw vermaak ontspruit
’t-Geluk van in de gunst van uw meesteres te deelen,
Maakt dit alles toch mijn zoetsten wellust uit.
Noem vrij o Neerlands Tempe o sieraad dezer landen
Noem vrij uw Schaapenburg de parel van uw kroon
Bekoorlijk is ‘s-Graveland gewis, ’t vereent al ’t-schoon,
dat ge immer hebt bevat in uwe lustwaranden;
Maar zoo ge uwe liefde, uwe eer, uw schoonste luister roemt,
Men kent ze, als ge den naam der achtbaren Bicker noemt.
Behalve uitbreidingen en ontginningen wist de eigenaresse nog andere verbeteringen aan te brengen. In 1781 werkte ze mede tot afkoop van de Koptienden van de bezaaide landen, die op het Naarderveld rustten en door de Erfmaarschalk van Gooiland werden geheven. In 1790 maakte zij haar testament en stelde vast dat Schaep en Burgh alleen verkocht zou mogen worden als geen harer kinderen het goed tegen taxatieprijs wilde overnemen, mede bepalende dat diegene de plaats 1 jaar in eigendom moest behouden. In den zomer van 1791 op den 28sten Juli overleed Mevrouw Bicker waarna de oudste dochter Maria Johanna sedert 1790 weduwe van Mr. Jacob Hop aan de gestelde voorwaarden wilde voldoen.
Evenwel heeft haar het verblijf alhier zeer verdroten en daarbij de moeilijke en onrustige tijden hebben er toe geleid dat zij 29 Juli 1801 haar bezit verkocht aan Mr Hendrik Daniel van Hoorn, die eerst als gebruiker later als eigenaar de buitenplaats heeft bewoond tot zijn dood in I802. Hij was in Amsterdam 1731 geboren, Notaris op de Keizersgracht en Secretaris van de Hoofdschout. Man van de nieuwe richting was hij een ijverig Patriot en hater van het huis Oranje. Zijn echtgenote Everdina Visscher, wier broeder de Pensionaris Carel Wouter Visscher was, overleed 20 April 1801 terwijl van Hoorn ruim een jaar later volgde. (11 Mei 1802 te ‘s-Graveland.)
Nadien verkochten de executeuren de plaats aan Isaac Hodshon (1772-1855) voor de koopsom van F. 43.000,-. Hij was 25 Maart getrouwd met Isabella Dedel (1775-1865) dochter van Mr. Willem Gerrit Dedel en Jacoba Elisabeth Crommelin. Hij breidde zijn bezit uit met ‘s-Gravenhoek en Swaenenburgh. Hij bewoonde ‘s-zomers Schaep en Burgh, terwijl hij ’s winters zijn huis Heerengracht 460 betrok. Op de plaats heeft hij de ijskelder laten bouwen, die thans nog bestaat.
Zijn maître ‘d Hotel Hoogbruin heeft waarschijnlijk veel geld bij hem verdiend en deze heeft na Hodshon’s vertrek een pension gehouden op Wolfsbergen. Hodshon, een goedhartig karakter bezittend, heeft veel voor de kinderen van zijn zwager Pieter Samuel Dedel (1766-1851) gedaan, nadat deze onder het Franse bewind uit zijn ambt als postmeester was gezet.
De filantropische kant kwam eveneens tot uiting in de stichting van het Hodshon-Dedel hofje gelegen in de Eerste Weteringdwarsstraat te Amsterdam dat 25 Maart 1942 honderd jaar bestond. Op een steen naast de hoofdduur staat gebeiteld:
“Isabella de Wildt oud 9 jaar, Izaak Hodshon en Isabella Dedel, echtelieden, heeft dit door hen gestichte hofje den eersten steen gelegd op den 25 Maart MDCCCXLII”
Door al het krijgsrumoer van 1813-1814 heeft Hodshon een afschrik van ‘s-Graveland gekregen en rijpte bij hem het plan om zijn bezit te verkopen, hetgeen geschiedde bij openbare veiling 1 September 1818. Koper bleek te zijn de Heer Willem van Loon (1794-1847) die voor F. 75.000,- in grof zilver geld te betalen eigenaar was geworden. Waarschijnlijk zal hij kar en paard nodig gehad hebben om een dergelijke som te betalen. Hij was 20 Dec. 1815 getrouwd met Anna Louise Agatha van Winter, die op de hofstede Voorland in de
Diemermeer op 6 Juli 1793 was geboren. Zij beiden hebben Schaep en Burgh geheel verfraaid, het park werd opnieuw aangelegd onder leiding van de bekende Zocher, ontwerper van de grote landschapsstijl van de 19e eeuw die zich hier te lande onder Engelse invloed ontwikkelde. De rechterlaan achter het huis werd aan het eind een slingerlaan rondom een aangelegde vijver. Geschoren hagen die een beslotenheid eertijds gaven werden opgeruimd om plaats te maken voor een open landschap. Het huis werd geheel verbouwd. Volgens begrippen van die dagen werd de verbouwing geheel in Neoclassicistische zin uitgevoerd en in het bijzonder kwam de periode van het Neo-Grec hierin naar voren.
Een monumentale ingang veranderde het huis van aanzien.
Een brede hardstenen trap die naar het bordes voert verving de oude aarde wal die van beide zijden de oprit vormde. Op het bordes rijzen vier Ionische zuilen op waarop architraaf en fries rusten, dragende een balkon.
Over de gehele voorgevel zijn boven de vensters consoles aangebracht die deklijsten dragen. De baksteen werd bedekt door een lelijke grijze pleisterlaag waarbij de indruk gewekt moest worden dat de pilasters uit natuursteen waren opgebouwd. De attiek langs de daklijst bleef bestaan terwijl de vorm van het dak wel gewijzigd zal zijn. Van de achtergevel valt niet veel te vertellen. Een veranda uit de negentiger jaren verfraaide het geheel niet bepaald. Van binnen werd het huis veel geriefelijker, eertijds trap op, trap af werd het hokkerig karakter geheel weggenomen en plaats gemaakt voor ruime kamers en zalen. De gastvrijheid uit de dagen van Mevrouw Bicker-Pels was nu ook nog niet geweken en men zei in die dagen dat van Loon er open tafel hield.
Behalve Koning Willem II bezocht ook Koning Willem III de buitenplaats en zo werd ook na den dood van Jhr. Willem van Loon die buiten nabij een boom in de Vuursche overleed, de vriendelijke gastvrijheid in ruime mate betracht door zijn echtgenote, die op bijna 84-jarige leeftijd den 7den Mei 1877 te Amsterdam overleed. Daarna werd het gehele bezit in drieën verdeeld. Schaep en Burgh werd gekocht door de eigenaar van het aangrenzende Boekestein, Jhr. Mr. Cornelis Dedel (1806-1885) die, niet om er zelf te wonen, de plaats voor ondergang en verkaveling wilde behoeden terwijl het huis aan verschillende bewoners werd verhuurd o.a. brachten Mr. Richard van Rees, lid van de firma Adolf Boissevain en Co. en zijn familie vele zomers door op Schaep en Burgh, tot 1885 toen de plaats in handen kwam van den zoon Jhr. Mr. Willem Gerrit Dedel. Jhr. Dedel was geboren te Amsterdam 28 Mei 1850 was Hoogheemraad van Rijnland, Dijkgraaf van de Watergraafsmeer en Zeeburg en Diemerdijk en Hoofdingeland van de Polder ‘s-Graveland.
Met zijn echtgenoote Hester Wilhelmina van Lennep waarmee hij 15 December 1892 te Heemstede was getrouwd, bewoonde hij vele jaren ‘s-zomers Schaep en Burgh.
Na 1921 bleef Jhr. Dedel de buitenplaats bewonen tot den 27sten Januari 1932, toen hij het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.