Historisch overzicht van 1634 tot 1962
De Stichting van ‘s-Graveland
In tegenstelling met zovele plattelands gemeenten, kunnen wij omtrent de stichting van ‘s-Graveland het juiste mededelen aan de hand van de vele gegevens, die zich bevinden in het Oud-Archief van de Polder van ‘s-Graveland.
De eerste vermelding omtrent de voorbereiding van de stichting van het dorp, vinden wij in het Octrooi van de Staten van Holland door Mr. Jan Ingel, licentiaat in de beide Rechten te Amsterdam, om onvruchtbare, woeste en moerasgronden, gelegen achter Ankeveen en Kortenhoef en omstreken, zowel in Holland, als in Utrecht, in Gooiland aan de Meent in cultuur te brengen. Deze octrooi dateert van 1625.
Blijkens de oudst bekende kaart van Gooiland, omstreeks 1510, bevonden zich in de 15e en 16e eeuw zandgronden, in de vorm van heuvelruggen, tussen Hilversum, de Horstermeer en Kortenhoef, die een aaneensluitend geheel vormden met de zandheuvels, o.a de lange Hul, ter hoogte van de Craailoose heide. Bepaalde uitlopers ter hoogte van het latere ‘s-Graveland droegen van ouds de namen van: “Cruysbergen”, “Wolfsbergen” en “Stofbergen” en “Hooge Dreuvik”, de latere Trompenberg te Hilversum.
Deze heuvels gingen westwaarts weer over in de lagere moerasgronden van Kortenhoef en naar het zuiden over in de z.g. vullingen of onlanden. “Vullinghe” waren oudtijds de grote stukken tweede soort turf, die in de uitgedolven veenputten werden geworpen om deze op te vullen. Op de kaart van 1597 worden deze streken, die ten dele vallen over het zuidereinde van ‘s-Graveland, de Naarder Kerkenlanden en aansluitend aan Loosdrecht, ook als vullingen beschreven.
Mr. Ingel en consorten gaven in een verzoekschrift tot de Staten van Holland en West-Friesland te kennen:
“dat aan de grens van Goyland, aan de zijde van het Sticht en palende aan de eigendommen van Anckeveen, Cortenhoef, Loosdrecht en St. Maartensdijk, zijn gelegen eenige zandige , ongelijke, onvruchtbare en woeste, ten deele moerassige landen; dat die gronden des winters ongangbaar zijn en des zomers slechts mosch en biezen van weinig waarde opleveren;”
“dat zij zich moeite en arbeid wenschen te getroosten om die onlanden tot culture te brengen, zonder hinder of beletsel van die van Goyland, in het belang van de grafelijke jurisdictie en tot verbetering van den Hollandschen grond.”
“Wijders, om genoemde landen onder schadeloosstelling aan hen te octroyeeren, met uitzondering van de tienden van alle vee en vruchten, die de landen mochten afwerpen, alsmede van de grafelijke tollen en van de verpondingen, de 100e, 50e, 40e, 30e en andere penningen meer of minder voor een tijd van 40 jaren en de hoorngelden, bezaaide morgens en de middelen van consumptie voor den tijd van 20 jaren met toekenning aan verzoekers de ambtsheerlijkheid en het dagelijksch gerecht over de hen af te stane landen, met macht keuren en ordonnantiën te maken over de aan te leggen wegen en wateren.”
De Staten van Holland en West-Friesland willigden bij missieve van 17 Maart 125 het verzoekschrift in, waarbij enkele nadere voorwaarden werden geregeld inzake grenskwesties tussen Holland en het Sticht, het betalen van een jaarlijkse recognitie etc. (Oud Arch. L 1.) Bij ampliatie van, het octrooi den 9en oktober 1626, werd door de Staten van Holland het navolgende bepaald: o.m. het aanleggen van een wal ten Oosten van het te ontginnen stuk land, de latere scheiwal en vervolgens de bepalingen omtrent het te verveenen land. Verder, dat de impelranten ten behoeve van die van Naarden en Gooiland, twee renten op het Comptoir van Holland zouden constitueren, die bij het accoord van 18 Maart 1634, tussen Hoofdingelanden van ‘s-Graveland en die van Naarden, kwamen te vervallen. In bovengenoemd octrooi waren ook begrepen de landen ten Zuiden van ‘s-Graveland. Eerst in 1634 kwamen laatst-genoemde landen aan het eigenlijke gooi terug, waarbij voor altijd de rechten der Erfgooiers aan de toekomstige ‘s-Gravelanders werd ontnomen. De Zandgronden zullen wel min of meer bebost zijn geweest. In die dagen strekte het Gooierbos zich ten Z.W. van Hilversum uit. Ondanks het feit, dat dit oude, laat middeleeuwse, bosch omstreeks 1600 geheel is verdwenen, zullen wellicht de uitlopers zich voortgezet hebben op de zandheuvels, daar hier en daar thans nog op de buitenplaatsen eiken worden aangetroffen, die ouder zijn dan de datering van de aanleg der plaatsen zou doen vermoeden. De zandlaag, van het oosten naar het westen gaande, schuift zo ongeveer ter hoogte van de dorpsweg op een halve meter diepte onder de laagveengronden. Het dorp, in de lengterichting ongeveer noord-zuid gelegen, ligt eigenlijk op een natuurlijke grens van twee belangrijke geologische gebieden; waar dus het diluviale zand ophoudt en de veengronden beginnen. Van de zandheuvels is, achter ‘s-Graveland, tenslotte de zanderij overgebleven. Deze is door de schilder Ravenswaay, die zoveel Gooise gezichten heeft vastgelegd, in de vorige eeuw nog eens in beeld gebracht. In de naam van het “Monnikenveen”, daterend uit de Middeleeuwen, thans gelegen in de gemeente Kortenhoef, ten zuiden begrensd door de Raaiweg en ten noorden door de Meentweg, vinden wij iets terug, dat aan de oude verveenderij herinnert. De bovengenoemde woeste gronden, die in cultuur gebracht moesten worden, besloegen in 1634: 555 Morgen en 28 Roeden Bhijnlandse maat en waren opgemeten door de gezworen landmeter van Naarden: Mr. Nicolaus Bonifacius van Parsijn. Dit gebied werd door kruist door een paar wegen, die, daterend uit de Middeleeuwen, van oudsher “doodwegen” genoemd werden. Twee van zulke wegen kende men: de doodweg van Ankeveen liep via Stichtsche Rade of Kerkpad, Luie Gat, Fransche Kampweg naar de Craailoosche heide en vandaar naar het St. Jans-kerkhof; en een dergelijke weg van Kortenhoef via Meentweg, Leeuwenlaan, bij huize “Jagtlust” overgaande op de Boschlaan en zich eveneens uitstrekkende naar de heide en het kerkhof. Onderdelen van deze doodwegen bestaan nog in de vorm van een stuk rijwielpad hier en daar. Een aardig overzicht van alle doodwegen, uitlopende naar het Centrale punt van het Gooi, het St. Jans-kerkhof, biedt ons de kaart van Gooiland, uitgegeven door R. en I. Ottens en opgedragen aan Mr. Bicker. Bij het in cultuur brengen, moesten deze gronden afgezand worden. Dit zand werd gebruikt voor de uitleg van Amsterdam, waarbij de Heeren- en Keizersgracht ontstonden. De stadsuitbreiding vond plaats in twee stadia: omstreeks 1612 en tussen 1658-1700. Dit vervoer zal wel eerst per kar geschied zijn, waarbij het zand vervoerd werd naar de ‘s-Gravelandsche trekvaart, die men tegelijkertijd begon te graven. Men heeft de vaart gegraven van de Uitermeersche sluise bij de Vecht af, waarbij eerst de Loodijk in Weespercarspel ontstond. Vervolgens, in 1637, kwam de vaart langs het toekomstige dorp tot stand, die via de Gooische Vaart, in 1650 gegraven, in verbinding stond met Hilversum. De ‘s-Gravelandsche Vaart liep ten zuiden uit in de Loosdrechtse plassen. Met de vaart op Naarden aan de Noordersluis, in 1720 ontworpen door Jan Perk, veerschipper te Hilversum, is men nooit ver gekomen. Vanaf het Luie Gat loopt de thans smalle vaart tot voor Bantam. Gelijktijdig met het graven van de vaart, moesten bruggen gebouwd worden: de Klapbrug en de Smidsbrug, die nog toegang geven tot Ankeveen en Kortenhoef en die in 1635 klaarkwamen. De eerstgenoemde brug heeft het tot 1912 uitgehouden en werd toen vervangen. De Smidsbrug heette naar de smidse, die reeds in de eerste helft der 18e eeuw bestond. In 1752 werd deze smidswinkel overgedragen aan Johannes van Putten, schepen te ‘s-Graveland. Dat het met de cultuurpogingen niet al te vlot verliep en dat deze stichting van een woonoord met enige afgunst werd bekeken door de naburige Gooische dorpen, getuigt het “Placaat van de Staten van Holland”, daterende uit 1627, waarbij Naarden en de Gooise dorpen berispt werden wegens belemmering van de werken van Jan Ingel (Oud Arch. L.2). De bewoners der Gooise dorpen bleven evenwel last veroorzaken aan de ontginners, zodat opnieuw, in 1633, op 2 april, strafbepalingen uitgevaardigd moesten worden. Zelfs moest tegen de naburen met geschut worden opgetreden tot beveiliging van de arbeiders. Intussen is het in 1634 zover gekomen, dat men het gehele gebied, groot ruim 500 morgen1) kan overzien en dat met de verdeling van de kavels een aanvang genomen kan worden. Dit gebied, dat wij in het vervolg de Polder van ‘s-Graveland willen noemen, werd door een zestal heren deelnemers in deze plannen verkaveld op een wijze, die vrijwel enig in zijn soort is. De Heren hebben de werkzaamheden aanbesteed. De aannemer van dit ontginningswerk was een zekere Heijndrik Pietersen Coopman, begraven in 1666, wiens graf heden nog aanwezig is in de Nederlands
1) 1 Amsterdamse Morgen is 8128.66 m2, 1 Morgen is 600 Roeden, 1 Gooise Morgen is 0.976 ha
Hervormde Kerk te Kortenhoef
De bekende rechthoek, die ‘s-Graveland nu vormde, werd door deellijnen, oost-west lopende, evenwijdig aan elkaar, verdeeld in wederom rechthoekige gebieden de z.g. kavels, die van elkaar werden gescheiden door z.g. “Scheisloten”. In de concessie was mede bepaald, dat ‘s-Graveland ten oosten begrensd zou worden door een hoge scheiwal aan te leggen over de gehele lengte van de Naarderweg tot Gooilust toe, ter afscheiding van de gemeene landen van Gooiland en om zandverstuivingen tegen te gaan. Langs deze wal liep een sloot, bekend onder de naam van Zandsloot. Overblijfselen van deze scheiwal vindt men thans nog duidelijk achter “Jagtlust”. De verdeling geschiedde bij verloting, hetgeen wij als moment van de stichting van het dorp moeten beschouwen. Deze verloting had plaats ten overstaan van notaris van Zwieten te Amsterdam op 7 juni 1634, waarbij deze Heren als bestuurder, oftewel naar hun grondgebied hoofdingeland in de toekomstige Polder, eigenaar werden van een of meer kavels. De bijzonderheden zijn uitvoerig beschreven in de “Cavelconditiën van ‘s-Graveland”. In 1634 werd al van ‘s-Graveland gesproken, als verkorting van de naam ‘s-Gravenlanden, daar voorheen deze gronden aan Lands Graven behoorden. Bij het genoemde octrooi waren zekere voorrechten en vrijdommen bepaald, benevens het recht van Ambachtsheerlijkheid over de grond, dat van af het begin aan de Polder toekwam. Jaarlijks zouden tien stuivers per morgen lands aan het Domein betaald worden. De grootte werd nu vastgesteld op 555 morgen en 28 roeden, Rhynlandse maat. Dit gebied strekte zich van het Luie Gat ten noorden tot de Zuidersluis en van de heidevelden ten oosten tot enige voeten ten westen van de ‘s-Gravelandse Vaart, zodat het jaagpad nog altijd tot ‘s-Gravelands grondgebied behoort. De Cavelconditiën omschrijven de nummering der kavels en de verdeling in het noordelijk en zuidelijk park. Tot Hoofdingeland zou men verkozen kunnen worden indien men meer dan 20 morgen bezat. Bij de ondertekening van de Cavelconditiën werden de navolgende Hoofdingelanden genoemd. Zij zijn de zes Heren, die oorspronkelijk het gebied bij verloting verkregen hebben en van wie Mr. Jan Ingel van 1625 tot 1634 de woordvoerder en rechtsgeleerde is geweest, bijgestaan door Adriaan Pauw, Heer van Heemstede, Raad en Pensionaris van Amsterdam, en Pieter Cornelis Hooft, de bekende Drost van Muiden. Laten wij thans een korte levensbeschrijving geven van de eerste zes Hoofdingelanden, die anno 1634 zijn benoemd, t.w.: Mr. Cornelis Davelaer, Abel Matthijsz Burgh, Benedictus Schaeck, Dr. Andries Bicker, Anthony Oetgens van Waveren, Reinier Pauw
– Mr. Cornelis Davelaer, geboren te Amsterdam in 1580, was gehuwd met Anna Ter Steeg. Hij was de stadsadvocaat en ruiteraanvoerder. Zijn portret komt voor op het schilderij van Thomas de Keijzer, hangende in het Mauritshuis en voorstellende de vier Burgemeesters, in 1638, wachtende op de komst van Maria de Medicis, die hen wordt aangekondigd door Cornelis Davelaer. Hiervan bestaat tevens een gravure door Suijderhoef, een derde staar, afkomstig uit de Archinto collectie, thans zich bevindende in de Topografische Atlas van ‘s-Graveland, in bezit van en samengesteld door schrijver. – Abel Matthijsz Burgh, geboren te Amsterdam 1580, overleed aldaar in 1646. Hij was de eerste Dijkgraaf van de Polder. In 1609 huwde hij Maria Cornelisd. Queeckel. – Benedictus Schaeck, Heer van Ankeveen, geboren te Amsterdam in 1587, koopman op de Heerengracht, stierf 15 november 1661. Hij was Schout van ‘s-Graveland. van 1636-56 en huwde aldaar op 20 juni 1615 Elisabeth Dircksdr. Sperwer (1588-1669) dochter van – Dirck Claes Rijnierz., koopman op het Rokin “in de Sperwer”, en Machteld Martensdr. van Zel. – Dr. Andries Bicker, Heer van Engelenburg, geboren te Amsterdam in 1597, stierf aldaar in 1652. Hij was de bekende Amsterdamse Burgemeester, die in 1642 door Bartholomeus van der Holst geschilderd werd. Te Amsterdam was Andries Bicker het type van de 17e-eeuwse patriciër, die overladen was met de vele ambtelijke functies. Achtereenvolgens was hij: Raad-Commissaris, Schepen en Burgemeester tussen de jaren 1627-1649, Raad ter Admiraliteit, Gedeputeerde ter Staten-Generaal en Ambassadeur aan buitenlandse hoven. Naast Hoofdingeland, werd hij in 1638 verkozen als Schepen van ‘s-Graveland en bewoonde ’s zomers het door hem gestichte Spanderswoud. – Anthonij Oetgens van Waveren, geboren in 1585, stierf te Amsterdam in 1658. Hij zat in de regering en zijn beeltenis als burgemeester komt ook voor op het schilderij van Thomas de Keijzer. In 1611 huwde hij Anna Spiegel en stichtte de naar haar genoemde hofstede “Spiegelrust”. In 1642 was hij Schepen van ‘s-Graveland. – Dr. Reinier Pauw, geboren te Amsterdam op 3 september 1591, stierf te ‘s-Gravenhage op 20 Januari 1676. Hij was Raadsheer, daarna President in de Hooge Raad van Holland. Zeeland en West-Friesland. Hij huwde in 1617 met Clara Alewijn en hertrouwde na haar overlijden met Christina van Ruytenburgh, Vrouwe van ter Horst.
STICHTING VAN DE HOFSTEDEN
Deze eerste Hoofdingelanden hebben een belangrijk deel bijgedragen in de stichting van de verschillende hofsteden. De tegenwoordige huizen zijn uit latere tijden. Voordien hebben dus eenvoudige huizen, naar het gebruik van die tijds hofsteden genaamd, bestaan. In het algemeen verstond men onder “Hofsteden” in die dagen de zomerverblijven van de vele patricische, meestal uit Amsterdam afkomstige, families. Volgens de Cavelconditien waren de eigenaars verplicht binnen veertien maanden tenminste twee “huismans huizen” te doen verrijzen op de hun toegewezen kavels. (Oud. Arch. L25). Zo is bijvoorbeeld de boerderij van Boekesteyn, onder de naam van Brambergen bekend, uit de eerste dagen van de Stichting van het dorp, blijkens de gevelsteen waarop staat: “t Huys Brambergen 1634”. Deze hofstede heeft wel het oorspronkelijke karakter van een boerenhofstede. onder deze benaming komt hij in de 21 stukken voor. De hofsteden vierden veelal door de Amsterdamse patricische families alleen ‘s-zomers bewoond, wanneer de Hoeren beladen met de vele plichten en besoignes, die het regentenleven met zich bracht, kwamen uitrusten en in deze landelijke omgeving nieuwe kracht kwamen opdoen. Allengs, in het jaar 1644, werd de trek steeds groter vanuit Amsterdam. Inmiddels verkochten de eerst Hoofdingelanden gedeelten van hun kavels en maakten zodoende plaats voor velen. De bewoners voeren op en neer met de schipper die in 1644 voor het eerst door de Hoofinge1anien werd aangesteld. Eerst in 1766 schaften de Heeren Hoofdingelanden gezamenlijk een eigen jacht aan, dat hen vervoerde wanneer zulks gewenst was; als drukke werkzaamheden of een belangrijke zitting van hun talrijke colleges hen terugriep. Het was een sierlijke trekschuit met een gezellige roef en een ruime stuurstoel. Uit het polderarchief blijkt, dat de belangstelling voor het jacht in geruime mate aanwezig was, gezien de schenking van Mevrouw Bicker-Pels bestaande uit een eetservies en twaalf vorken en messen uit zilver met ivoor. Het jacht was betaald door de 6 Hoofdingelanden en kostte 2841 gulden en 12 stuiver. Behalve voor vervoer werd het jacht ook gebruikt voor de schouw door het Polderbestuur. Het schuitenhuis lag in de Kerk-vaart naast het kerkhof, daar onderhoud en toezicht aan de bewoner van Hilverbeek was opgedragen. Tot 1945 is de beurtvaart op Amsterdam blijven bestaan en eindigde op het ‘s-Gravelandse Veer aan de Binnen Amstel. Naast de Polder als besturend college, werd reeds spoedig het college van Schout en Schepenen door de Baljuw van Naarden en Gooiland ingesteld. In januari 1639 werd de advocaat Davelaer opgedragen om als juridisch adviseur op te treden. Aan beide colleges, de Polder en de Gerechte van ‘s-Graveland, werd hij octrooi van de Staten van Holland van 1641 het recht verleend, om een wapen te voeren. Zoals bekend, voert ‘s-Graveland thans nog in rood een goud gekroonde, zilveren trapgans op een grasgrond staande. Deze wapenverlening behoort tot de zeldzame gevallen, waartoe de Staten zich bevoegd achtten. (Oud Arch. L.27). Liet de verlening van een wapen aan Wieringerwaard (1611), Schermer (1633) en Beemster (1612), neemt ‘s-Graveland de vierde plaats in de rij van gemeenten, die in de 17e eeuw zulks ontvingen. Bij Koninklijk besluit van den 26sten Juni 1816, werd opnieuw aan deze gemeente een wapen verleend, zoals het heden nog gevoerd wordt. De juiste herkomst van deze trapflnsdurf ik niet te veronderstellen. Tegelijk met het ontstaan van de verschillende hofsteden, vestigde zich tevens een burgerbevolking, die hare werkzaamheden had op de hofsteden, of te wel “plaatsen”. Zo verrezen tegenover deze plaatsen verschillende kleinere woningen, waarvan er nog slechts enkele uit die eerste tijd over zijn. Tot deze huizen behoorden tevens de enige jaren geleden afgebroken huizen, tegenover de plaats “Spanderswoud”.
De industrieële ontwikkeling, zoals wij verderop zullen zien, vangt pas in de daarop volgende eeuw aan. Deze zal in belangrijke mate bijdragen tot de welstand van het dorp. De enige plaats, waar de nieuwe woningen konden staan, was tussen dorpsweg en vaart, daar de gronden ten oosten van de weg tot ver in de 19e eeuw in bezit zijn gebleven van de bezitters der hofsteden, hetgeen bijgedragen heeft tot de schoonheid van de buitens en van het gehele dorp.
DE EERSTE AANLEG VAN HET DORP
Het afzanden en het gelijkmaken van verschillende delen van de kavels bracht met zich mee het vervoer van grond. Voor het indelen van de verschillende kavels, was het maken van vaarten en afwateringssloten van het eerste beland. Dit bracht dus ook het maken van bruggen met zich mee. De Lange weg door het toekomstige dorp en de verbetering van de “Cortenhoeffsche” weg vormden de eerste werkzaamheden. Van de bruggen noemen wij de “Hooybrug” tussen het latere “Boekesteyn” en “Brambergen”, de “Clapbrug” of Ankeveensche brug over de vaart tussen de kavels en de “Cortenhoeffsche” brug of Smidsbrug tussen kavel en de bruggen aan de Hollandse Kamp nabij de Loosdrechten. De ‘s-Gravelandse Vaart werd met een Noorder- en Zuidersluis afgesloten.
DE STICHTING VAN DE KERK
Langzamerhand, toen de bevolking toenam, deed zich het gemis voelen aan een eigen Kerk. De Heeren Hoofdingelanden hebben dan ook niet lang gewacht om de koppen bij elkaar te stoken tot vorming van vaste plannen om zo spoedig mogelijk een Kerk te doen verrijzen.
De Hoofdingelanden, bestuurders van de Polder, waren wegens de hen verleende ambachtsheerlijke rechten, gerechtigd tot de stichting van een kerkgebouw en de aanstelling van een predikant.
In 1656 zijn de plannen zover gekomen, dat de verschillende ontwerpen van het gebouw werden overwogen.
De plaats was reeds bepaald, toen Anthony Oetgens van Waveren enige grond afstond voor de bouw van de Kerk, nl. van het Kavel, waarop later Hilverbeek zou ontstaan. (Oud. Arch. L.133).
De plannen waren in het begin van 1657 zover gevorderd, dat de Hoofdingelanden alleen nog moesten beslissen over de vorm van de Kerk, welke beraadslagingen bekend zijn onder de naam van:
Resolutie
“Op den 26 Februari 1657 zijn d’ ondergenoemden hooft en andere ingelanden van ‘s-Gravelandt op te Voetbogendoelen te Amsterdam bij een anderen vergadert geweest en hebben aldaar bij eenparichheijt van adviezen verstaan tot het bouwen van de Kerck; ’t-zijvolgende ’t-model van Daniël Stalpert kruysgewijs of van Vinckebooms in het lang. Waarvan ijder begroot is te coste van omtrent ses duysent guls hebbende gemelte presente Ingelande de keuze van dien gestelt in ’t goedvinden van d’Hooftingelanden zeer ernstelijk aen deselve recommandeerende de bevorderingh van dien omist doenlijk ’t werk volmaeckt te hebben mit het climmen van de son, en dat de materialen voornamelijk van calck en steen metten alder eersten mogen worden gecost en bij den handt gebracht vertrouwende aen deselve de beste mesnage sijnde tot de gecomitteerde Hooftingelanden tot het maken van concepten van timmerage etc. uit de Ingelanden daer bijgevoegt de Burgermr. Nicolaes Listing en Joan van Dijk om het werk te voltrecken. Bij resolutie is bij de presenten bij eenparige stemmen de inclinatie gevallen op te Kruyskerck. In oirkonde bij haar onderteyckent;” A. Oetgens van Waveren, Joan van Hellemont, Hendrik Codde, Claes Listingh, Dirck Tulp, Joan van Dijk
Aanvankelijk waren de geldmiddelen niet van dien aard, dat met de bouw begonnen kon worden. Op een vergadering in de Doelen te Amsterdam kwam men tenslotte overeen om de ontbrekende som om te slaan over ieders grondgebied en men betaalde toen per morgen 17 gulden en twee stuivers. Na dit besluit heeft men spoedig een begin gemaakt met de bouw en ruim een jaar later werd de kruiskerk voltooid. Wat stijl betreft, behoort deze kerk tot de klassicistische barok. Gebouwd op een vierkant, waarin het Griekse kuis tot uiting komt, doet deze typische kerk denken aan enkele andere kerken in don lande en wel aan de Noorderkerk te Amsterdam en de kerken van Ouderkerk en Oudshoorn, die alle een voorloper hebben in de Nieuwe Kerk te Haarlem, een meesterstuk van Jacob van Campen. Op 7 juli 1658 werd de nieuwe, pas voltooide kerk ingewijd. Het woord Gods werd gepredikt door twee gedeputeerden van de Classis van Amsterdam en wel: Menso Johannis, Predikant aldaar, des voormiddags over Psalm 93: vs 5b, en Johannes van Sanen, Predikant te Huizen, des namiddags over Gen. 4:26 a; vervolgens werd de dienst waargenomen door de eerste proponent. Dit bleef zo, totdat, op eenstemmig advies der Beren Hoofdingelanden als Gemeene-ingelanden en op goedvinden van alle lidmaten, door bovengenoemde Classis op den 22 September 1659 beroepen werd Cornelis van Midlum, die 2 November daarop zijn intrede deed met 1 Sam. 12:23. Spoedig werd een pastorie naast de kerk gebouwd, waarvan gegevens ontbroken. Ruim 100 jaar later voldeed de woning niet meer en werd voor afbraak verkocht op 7 April 1768 door de Hoofdingelanden aan Wouter de Haan, metselaar alhier, voor de somma van 1550 gulden. Het volgende bestek laat zien de bouw van de nieuwe pastorie: “Bestek ende Conditien waarop de Edele Heeren Hooftingelanden van ‘s-Graveland presenteeren aan te besteeden het timmeren van een nieuw huys tot de pastorie tot ‘s-Graveland bij de kerk. Op 21 Mei 1768 aangenomen door Jan Oostwaart voor de somme van drieduyzend agt honderd zeven en veertig gulden. “
My present: F. à Meynsma S.
Ds. van Midlum heeft zijn herdersarbeid ruim vijf en veertig jaren uitgeoefend; 26 Mei 1705 verwisselde hij het tijdelijke met het eeuwige, waarna hij begraven werd in de kerk. De grafsteen is thans nog aanwezig en behoort tot de weinige graven in de kerk. Op 31 Januari 1706 werd zijn zoon, Gerardus van Midlum van Muiderberg, bevestigd. Inmiddels was op 27 Juli 1660 een kerkeraad ingesteld, bestaande uit twee ouderlingen en twee diaconen. Elk jaar werden een ouderling en een diaken door de predikant en kerkeraad gekozen in de twee door aftreding ontstane plaatsen. De kerkeraad heeft de vrije beroeping van een predikant, doch de approbatie geschiedt door de Hoofdingelanden. Overwegend heeft de bevolking en de Hoofdingelanden de Hervormde, in die dagen Gereformeerde godsdienst aangehangen. De diaconie, die voor de armen zorgde, had de beschikking over de bekende “10 huizen” nabij de klapbrug. Deze huizen werden reeds op 5 Augustus 1758 van Mr. Jacobus van de Poll voor F. 2.500,- gekocht. Later, toen de diaconie haar tehuis buiten de gemeente exploiteerde, zijn deze huizen in particuliere banden gekomen en zijn, in de laatste jaren, gerestaureerd en bekend onder: de naam van de “Wijde Blik”. Benedictus Schaeck behoorde tot de Roomse religie en zijn geloofsgenoten gingen te Ankeveen ter kerke. De parochiale grens liep via Heerenweg over het Ankeveensche paadje, zodat het laatste stuk van het Noordereinde kerkelijk onder Ankeveen behoorde. De weinige Luthersen behoorden onder de kerk te Weesp.
DE KLOK
Groot was de ontsteltenis toen op de morgen van de 20 April 1943 de grote luidklok uit de kerk verwijderd moest worden, wegens de vordering van brons en koper, uitgevaardigd door de Duitse bezetter. Ondanks goed vertrouwen, dat de klok weer zou terugkeren, heb ik met hulp van de architect .. de kam en tekening van de klok gemaakt waarop de inschriften werden vastgelegd. Deze klok werd door F. en P. Hemony in 1655 gegoten en behoort tot de enige Hemony klok in het Gooi. Waarschijnlijk is deze klok oorspronkelijk voor een andere kerk bedoeld geweest wegens de inscriptie S. PAVLE, ORA, PRO.NOBIS. FEC. Voor en achter komen twee bisschopswapens voor, waar achter staf en kruis en gedekt door mijter. Verder zien wij nog een reliëf van een mannenkop en profiel alsmede een paar engelenkopjes onder de fries. Wanneer deze klok is aangekocht door het Polderbestuur, is ook in het Oud Archief niet na te gaan, maar gezien de technische moeilijkheden bij het wegvoeren in 1943 moet haast worden aangenomen, dat de klok bij de bouw van de kerk in 1657/58 aangebracht is. Gelukkig keerde de luidklok na de oorlog weer terug. Tot de verdere bijzonderheden van het kerkgebouw, behoort de monumentale kaarsenkroon, welke het wapen van ‘s-Graveland draagt. De consistoriekamer werd bij bestek van 19 Maart 1856 gebouwd, terwijl een gaanderij werd aangebracht voor do aanneemsom van F. 2.467,-. In de kerk treft men maar weinig graven aan. Van die van de plaatseigenaren is alleen het graf van Jacob de Petersen nog over en tevens dat van Ds van Midlum (zie boven).
HET ONTSTAAN VAN DE WELVAART
Alles wijst op een bijzondere welstand van de bewoners, die wij als bezitters der hofsteden aantreffen. De aanleg van het dorp groeide gestadig. De bewoners werden weliswaar geplaagd door de vele zandverstuivingen, die van af de hogere gronden ten oosten van ‘s-Graveland kwamen, waardoor pas aangelegde moestuinen en dito bossen weer vernield werden, maar toen het bos, geleidelijk met de groei van het dorp, dichter werd en zodoende een beschermende grens vormde, nam de veiligheid ook toe. De vermogens van de hofsteden-bezitters, die naast hunne vele regeringsbemoeienissen de koopmansstand trouw waren gebleven, waren van dien aard, dat men zulks (een groeiende welvaart) zeker mocht verwachten. Wereldberoemde handelshuizen als Andries Pels & Zoonen, George Clifford, de huizen Hope en Jean Deutz en vele anderen; namen, die bij de beschrijving van de verschillende hofsteden later nog naar voren komen, droegen ten zeerste bij om de welstand van dit pas ontstane dorp te verhogen. In het jaar 1699 werd door de Staten toegestaan, dat ‘s-Graveland een vrije paardenmarkt mocht houden tegen een zekere recognitie aan de Rekenkamer. Deze paardenmarkt is tot in de 20e eeuw blijven bestaan. In 1883 werden zelfs nog 843 paarden aangevoerd. Toch bleef niet alles voor de wind gaan. Al gauw brak het jaar 1672 aan, dat zo’n belangrijk jaar voor het gehele Gooi en in het bijzonder voor ‘s-Graveland was. Bij de inval der Fransen, met een leger van 4.000 man in september van dat jaar onder leiding van Maarschalk Luxembourg, welke nachtverblijf op de hofstede van Cornelis Tromp had gezocht, hebben deze troepen danig huisgehouden en vele hofsteden, pas enkele jaren daarvoor gesticht, werden in as gelegd. Dit geschiedde eveneens met de hofstede waar de Maarschalk nog tevoren onderdak had gevonden. De pas gebouwde kerk werd ten dele in as gelegd en is later weer in dezelfde vorm opgebouwd. Een groot gedeelte van de bevolking was toen reeds uit ‘s-Graveland gevlucht, blijkens een aantekening in het eerste doop- en trouwboek. Na deze verwoestingen trokken de Fransen naar de Bussummergrintweg en heden herinnert de naam “Fransche Kampweg” nog aan dat ongewenste verblijf. ’t Was hiermede echter nog niet afgelopen. In november 1672 werd door de Fransen een brandschatting opgelegd, waardoor de Hoofdingelanden zich genoodzaakt zagen om een overeenkomst met elkaar aan te gaan. Liet onderling goedvinden werd bepaald, dat die eigenaar, wiens hofstede geheel was afgebrand, vrijgesteld word van de evenredige bijdrage. De overeenkomst werd 19 november 1672 getekend door Claes Oetgens van Waveren, Cornelis Tromp, Joachim Irgens, Daniel de Dieu, Debora Blau en enkele anderen. Als bemiddelaar van de Fransen trad op Jacob de Petersen (1622-1704), Resident en Commissaris-Generaal van de Hertog van Hannover, Brunswijk en Luxemburg, die tevens een buitenplaats alhier bezat en die zijn diensten met hoop op goede uitslag kon aanbieden. Hij was gehuwd met Catharina Bicker (1642-1678) en werd waarschijnlijk voor zijn goede diensten in de adelstand verheven (H.R. Baron 1676). Na deze verwoestingen en tegenslagen begon men spoedig weer met de herbouw van de vele hofsteden en in liet bijzonder met de gehele nieuwbouw van liet huis van de Admiraal Tromp. De herbouw van deze hofstee, in een vorm, die in vele opzichten aan een schip doet denken, heeft aan ‘s-Graveland een grote eigenaardigheid verleend, die wijd en zijd bekend is. In zijn huwelijk met Vrouwe Margaretha van Raephorst, weduwe van Dr. Jan van Hellemont, moet de oorzaak gezien worden, waarom juist Trompenburgh in ‘s-Graveland werd gesticht en niet in een streek des lands, waar men op het eind der 17e eeuw veel grotere buitenplaatsen en kastelen aantrof. Dr. Jan van Hellemont, geboren te Amsterdam in 1606 en begraven in de nieuwe Kerk aldaar op 26 Juli 16659 was door zijn moeder verwant aan de Bickers en huwde op 15 oktober 1644 met Margaretha van Raephorst. Hij was rechtsgeleerde en Schepen in Amsterdam en werd in 1647 Hoofdingeland en Schepen van ‘s-Graveland. Na zijn dood hertrouwde zijn weduwe, die zeer vermogend was en eigenaresse van een hofstede en bijbehorende gronden, met de Admiraal. Hoewel een man van zeer groot formaat, wijdde Tromp zich na zijn huwelijk in 1668 aan de dorpse belangen. Hij werd Hoofdingeland en Dijkgraaf in 1668, terwijl hij in het jaar daarvoor tot Schepen verkozen was. Tevens diende hij van 1675-76 als Schout tot berechting van allerlei zaken, die de Gerechte van ‘s-Graveland aangingen. Deze figuur, die te Amsterdam in 1691 overleed, heeft het dorp een beroemde klank in den verre gegeven. Zijn echtgenote was een jaar daarvoor overleden op haar hofstede te ‘s-Graveland. In deze jaren heette de hofstede “Sylliesburgh”. De naam “Sylliesburgh” is lang een raadsel geweest. In het begin van de dertiger jaren woonde de kunstschilder Jhr. Berg op Trompenburgh bij zijn schoonzoon en dochter Heer en Mevrouw Middendorp-Berg. Daar Jhr. Berg veel kunstverzamelingen in zijn lange leven heeft bezocht, had hij een vage herinnering dat hij in Kassel een schilderij had zien hangen, dat de Hofstede “Sylliesburgh” heette. In het waterschapsarchief komt nog een brief voor, die getekend is met: Marita van Raephorst Gravin Sylliesburgh. Dat er een verband moest bestaan tussen Tromp en Sylliesborg was min of meer duidelijk. Maar dat het schilderij in Kassel Trompenburgh voorstelde en niet een buitenplaats ergens in Denemarken, werd opgelost toen ik de foto ontving, die door bemiddeling van het Rijksbureau voor kunsthistorie en Iconografie in Kassel is gemaakt. Van een schilderij als geheel kan men niet spreken. Een detailbeschrijving treft men onder het hoofdstuk “Trompenburgh” verderop aan.
Het Bestuur van ‘s-Graveland
In het voorbijgaan hebben wij reeds gesproken van “Schout” en “Schepenen”, hetgeen ons er even bij doet stilstaan hoe het met de rechtspraak en het bestuur van het dorp ging. De rechtspraak voor de Criminele zaken kwam toe aan de Vierschaar der stad Naarden, omdat nimmer hoge heerlijkheidsrechten aan de Polder waren verleend. Daarentegen bestond de Civiele rechtbank uit: de Schout, die aangesteld werd door de Baljuw van Gooiland en Naarden en vijf Schepenen, van wie het ene jaar twee, het andere jaar drie werden gekozen, zodat zij twee jaar aanbleven en herkiesbaar waren. Op 20 Juni 1636 kreeg ‘s-Graveland een eigen Gerecht. Schout en Schepenen werden bijgestaan door een Secretaris, die dikwijls meerdere dorpen in het Gooi als zodanig diende. Alle overdrachten, testamenten, overeenkomsten, enz. werden voor Schout en Schepenen gepasseerd, wier naamlijsten achter in dit boek worden aangetroffen. De plaats van samenkomst, het Rechthuis, was de herberg “Het Wapen van “‘s-Graveland”, tegenover de kerk. Voorheen heette deze herberg “de Graaf Tromp”. Het was een pand bestaande uit 2 woningen. In de ene helft was de herberg gevestigd, terwijl de andere helft een bakkerij was. Voorts werden Brand- en Weesmeesters aangesteld, benevens een Bode civiel. Een Gadermeester trad op als ontvangen. De eerste brandkeur dateert van 20 maart 1636. Tevens werd een nachtwacht ingesteld. Van een afslager vernemen wij pas in 1765, wegens een proces tussen Jan ten Dam eigenaar van de bovengenoemde herberg en het College van Hoofdingelanden. (Oud Arch. L.47). Het ambt van Burgemeester komt in de 17e eeuw en later nog weinig naar voren. Dat deze functionaris, een der Schepenen, de naam van Burgemeester droeg, waren Heren van de hofsteden wel gewend. In de Gooise dorpen sprak men van “Buurmeesters”. In het algemeen sprak men van “President-Schepen” of “Regerend-Schepen”. In de resolutie, betreffende de bouw van de kerk, werden Listingh en van Dijk “Burgemeesters” genoemd, hun namen komen tevens op de lijst van Schepenen voor. In dit verband is het goed ook even aandacht te schenken aan het onderwijs. Het aannemen van een schoolmeester werd op 8 aug. 1651 in beraad genomen. Het volgend jaar werd een schoolmeester aangenomen op een salaris van F. 100,-. Het bouwen van een schoolhuis is door Hoofdingelanden geprojecteerd blijkens resolutie van 12 Augustus 1653: “zijn de Heeren H.I. voornemens om te spreken met Adriaan Cornelis van der Louw & Dirk Jacobs om van van beide huisjes op do voorweg tot een wooninge van den Schoolmeester te maken.” In augustus 1654 is dit huis vergroot. Omstreeks 1790 ontvingen 100 kinderen onderricht. Dit klopt met de lijst van verpondingen, die aangeeft, dat er toen 140 woonhuizen bestonden, die door 200 gezinnen werden bewoond. Merkwaardigerwijs deed het woninggebrek in die dagen zich evenzo voelen als thans. Aan het eind der 19e eeuw waren er 329 huizen bewoond door 1.400 personen. Thans is het aantal inwoners niet veel groter. Het spinwerk werd opgedragen aan de schoolmeester, die de kinderen het spinnen moest leren. Later werd dit werk uitgebreid met een brei- en naaischool.
DE POLDER VAN ‘s-GRAVELAND
Een belangrijk College naast dat van Schout en Schepenen was de Polder, bestuurd door Hoofdingelanden. Tot Hoofdingeland was men benoembaar, indien het grondbezit meer dan 20 Morgen bedroeg, gelegen binnen deze jurisdictie. Hun aantal bedroeg ten hoogste zes, waarvan de oudste als Dijkgraaf, later voorzitter, optrad en de Polder vertegenwoordigde bij het Hoogheemraadschap. Twee Hoofdingelanden werden benoemd tot kerkmeesters, die de zorg voor het kerkgebouw en het achtmaalsgoed later avondmaalsgoed, hadden. Ook dit college werd bijgestaan door een secretaris-penningmeester, die als hun rentmeester optrad. Slechts enkele charters in het Polderarchief spreken van bijzondere voorrechten voor de Hoofdingelanden, zoals de vrijdom van de impost op grove waren, in 1649 door de Staten van Holland verleend. (Oud Arch. L.91). Hun vergaderingen werden gehouden in het Gemeenlands huis aan het Noordereinde gelegen tegenover Coddens Plaats, thans geheel verdwenen. Zoals het de stedelijke regering verging, ging het in 1795 ook met hot Polderbestuur, dat afgezet werd bij decreet van de Provisioneele Representanten van het Volk van Holland. Op 27 november 1795 werd alles betreffende de Polder, boeken, charters en registers, overgedragen aan de Municipaliteit van ‘s-Graveland. Het Polderbestuur zou zich evenwel later weer herstellen. Bij de afschaffing van de Heerlijke rechten, bij de grondwet van 1848, verloren de Hoofdingelanden het recht van voordracht van Schout of Burgemeester, van Secretaris der gemeente en van de bediening voor Veerschipper.
DE OVERGANG VAN DE 18e NAAR DE 19e EEUW
Wat de welvaart onder de burgerbevolking in niet onbelangrijke mate deed toenemen, was de vestiging van de vele linnenblekerijen, hetgeen reeds in 1720 was begonnen. Het water, door pompen verkregen, was bijzonder zacht in de gehele omgeving, zodat vele linnenblekers van elders kwamen om hier een bedrijf op te richten. Tevens werd al vroeg het regenwater benut voor de wasserijen, die naast de blekerijen ontstonden.
Thans nog bestaan enkele van die ouderwetse handwasserijen. In het midden der 18e eeuw waren in ‘s-Graveland alleen al vijf en twintig linnenblekers en in 1889 zeven en twintig, waaronder reeds een stoomblekerij. Deze bedrijven hebben zich in de loop der volgende eeuwen ontwikkeld tot moderne wasindustrieën, die thans geregeld werd verschaffen aan vele gezinnen. Zoals vele dorpen en steden, heeft ook ‘s-Graveland zijn “brand” gehad. In 1790 brandde een groot gedeelte van de huizen af, waarbij als oorzaak de bliksem gezien moet worden; doch door milde gaven van de vermogende bewoners werd veel leed verzacht. Het Polderbestuur en het College van Schout en Schepenen gaven vergunning tot het mogen collecteren voor de noodlijdenden. (Oud Arch. L.53). In 1787 zag men na ruim honderd jaar opnieuw vreemden binnen het dorp. Ditmaal worden de Pruisen ingekwartierd. Toen men éénmaal de woelingen, die de Franse overheersing met zich meebracht, te boven was en de Bataafse Republiek ten ondergegaan was, herstelde zich de instellingen van ouds bekend. Het Polderbestuur regelde de vergoedingen wegens inkwartiering der Pruisische troepen. (Oud Arch. L.60). Voor Schout en Schepenen kwamen Burgemeesters en Wethouders in de plaats, na een tussenperiode van Municipaliteit met een president of fungerend Schout, later Maire en leden. (Oud Arch. L.48). Het Polderbestuur herstelde zich eveneens en bestond weer uit Hoofdingelanden met een voorzitter aan het hoofd.
VERANDERINGEN IN HET DORPSBEELD
Met het toenemen van het verkeer, kwamen ook wijzigingen in het gehele dorpsbeeld. Zo behoorde de weg van het Zuidereinde toe aan de Polder van ‘s-Graveland, terwijl de Leeuwenlaan en het gedeelte straatweg naar de Noordersluis in onderhoud was bij de Administratie van de Maatschappij tot Exploitatie van de Straatweg van ‘s-Graveland op Soestdijk, welke weg in 1826 pas bestraat word. Voorheen een zandweg, werd het Zuidereind pas na 1848 tot een harde weg en omstreeks 1890 tot een z.g. Mac-Adamsweg, destijds een bijzonderheid, gemaakt, waarna deze later overgenomen werd door de gemeente. Om en Nabij 1850 waren al verschillende hofsteden verdwenen. “Spiegelrust” werd in 1808 voor afbraak verkocht. “Zuid-Wolfsbergen” was eveneens verdwenen. Bebouwing langs de dorpsweg op de voormalige hofsteden nam hand over hand toe. De 21 October 1868 werd tot feestdag gemaakt door de inwijding van het nieuwe gemeentehuis en de onderwijzerswoning. Er hadden volksspelen plaats, terwijl het feest opgeluisterd werd door de muziek van het 7e Regiment Infanterie. Op 13 maart 1882 werd het hulpkantoor der posterijen en telefoondienst geopend. De school met den Bijbel, in 1886 gesticht, moest wegens het toenemen van het aantal kinderen in 1888 reeds uitgebreid worden. Sedert 1876 bestond een omnibusdienst op Hilversum, die op 15 mei 1867 werd opgeheven toen de paardentram zijn intrede deed. Deze laatste werd nadien vervangen door een geregelde autobusdienst. Voorbij “Schoonoord” was inmiddels het kerkgebouw der Gereformeerde gemeente ontstaan en zo langzamerhand volgde een bebouwing, die hier en daar nog onderbroken werd door de plaatsen langs de oostzijden van het dorp. “Trompenburgh” en “Gooilust” bleven hun oude luister behouden, doch op “Bousigt”, dat na de bewoning door de familie Six van Oterleek tot boerenhofstede was geworden, verscheen een rij woningen, die thans onder de naam van “Lombok” bekend zijn. “Beerensteijn” en “Veld en Akker” verdwenen eveneens als hofstede en zo nam de bebouwing steeds meer toe, met het gevolg, dat veel natuurschoon ingeboet werd. In tegenstelling tot de toestand op het Zuidereinde, werd het Noordereinde veel gespaard. Wel veranderde veel toen het oude “Sperwershof ” werd afgebroken en de gehele hoekbebouwing aan het Ankeveense pad of wel “het Paadje” tot stand kwam doch verder bleef de huizenbouw zeer beperkt. De tol nabij het logement Sjoenis werd in 1882 opgeheven, toen de Raad der Gemeente een afkoopsom daarvoor bepaald had. Wie echter oog hoeft voor de schone bomenrand van het Gooi, een bosrand, die men ziet langs het gehele dorp ‘s-Graveland vanuit het Ankeveense, zal moeten toegeven, dat dit waarlijk schoon is, zo niet een bijzonderheid op zichzelf. En laten wij niet vergeten de Leeuwenlaan. Deze moet men zien in het voorjaar, wanneer het jonge blad als dauwdruppels aan de beuken hangt. Als “Hilverbeek” getooid is met zijn grote verscheidenheid van teer groene tinten, die langzaam overgaan in een krachtige warme zomertooi. Ongetwijfeld gaat er een roep uit van ‘s-Graveland, vanwege zijn rij buitenplaatsen, waarop het natuurschoon van de ene plaats dat van de andere plaats de loef wil afsteken. Is ‘s—Graveland bekend door Cornelis Tromp of door zijn blekerijen, ook zeker door het eenmaal zo vermaarde “Gooilust”, een schepping van Frans Ernst Blaauw. Dit is een stuk natuurreservaat, waar bos en hei, water en wei tezamen treden.