In de Gloriosa

Jagtlust

Jagtlust

Jagtlust, hoewel op Hilversumsch grondgebied gelegen is zoo door zijn eigenaars met Heilust verbonden dat de behandeling van zijn levensgeschiedenis hier toch op zijn plaats is.
Het tegenwoordige huis dateert van 1793 hoewel de stijl een vroegere dateering zou doen vermoeden. Daarvoor heeft er een eenvoudige hofstede gestaan die in de beginne wellicht meer als boerenhofstede is gebruikt. De vergrooting met een stuk land van 12 Morgen gelegen onder de gerechte van Hilversum dateert pas uit einde 1700. (1796)
De oorspronkelijke naam was de “Laatste Stuiver” hetgeen doet denken aan een boerenhuis dat als geringe bijverdienste een herberg ernaast op na hield.Op het eind der 18e eeuw veranderde de naam waarschijnlijk na aankoop van de bovengenoemde 12 Morgen in “Plaats Royal” nadien veranderde nogmaals de naam in Jagtlust.
We hebben thans niets meer te maken met Schout en Schepenen van ‘s-Graveland doch met de Buurmeesters van Hilversum.
Het eerste transport is bekend van 7 April 1670 toen de Buurmeesters van Hilversum aan de weduwe Jan Groot Gerritsz een zekere hofstede onder Hilversum gelegen overdragen waaruit tevens blijkt dat de Buurmeesters door de Grafelijkheid daartoe gerechtigd waren. De volgende eigenaar is mij onbekend gebleven; het eerstvolgend transport is van 13 November 1736 waarbij Matthijs Wigman eigenaar werd die in 1741 blijkt overleden te zijn daar de voogden over Pieter Wigman, de eenige minderjarige zoon van Matthijs en Hilletje Hendrie Ruyter de hofstede overdragen aan Thomas, Nicolaas en Francois Craegh.

De koopsom was het geringe bedrag van F. 485,-. In de voorgaande bladzijden hebben we reeds vernomen dat eerst Thomas daarna Francois overleed, terwijl de executeuren van Nicolaas Craegh 10 September 1770 een “Zeker huys en hofstede genaemd de Laetste Stuiver” overgeven aan Jan Schoonhoven, makelaar voor de somma van F. 800,-.
Makelaar Schoonhoven die we reeds zoo dikwijls ontmoet hebben bij de vele transacties in ‘s-Graveland verkoopt de hofstede, “de Laetste Stuiver” op 25 Januari 1774 aan Mr. Gerrit Corver Hooft de bekende eigenaar van Gooilust en Bousigt. De Laetste Stuiver was niet belend aan deze laatste hofsteden; de koopsom bedroeg thans F. 1.150,-.
De eigenaar van Gooilust, die reeds meer land langs het Zuidereinde van ‘s-Graveland erbij verkreeg, heeft zich in 1782 op 19 Maart van het bezit langs de Oetgenslaan ontdaan en uit deze acte weten we dat thans de naam veranderd is in de “Plaats Royal”. De nieuwe koper was Mr. Martinus Alewijn die in 1785 eveneens, eigenaar van Boekesteyn werd alwaar hij ging wonen zoodat de hofstede aan de Oetgerslaan wederom vrij kwam.

Op 15 October 1791 had het transport plaats aan Mr. Hendrik Otto Arntzenius voor de som van F. 1.500,-.
Arntzenius was secretaris van de Houtvesterij en het Jagtgerecht van Gooiland en onderhoorige Hooge en Vrije heerlijkheden en was gehuwd met Helena Hodshon. In 1796 werden de meergenoemde 12 Morgen land bij de hofstede gevoegd.
Bij transport van 16 April 1803 wordt Mr. Pieter Rendorp de nieuwe eigenaar die hetzelfde jaar dit buitenverblijf overdraagt aan Adriaan Cornelisz van Haeften, die tot eenige erfgenaam, institueert zijn zuster Laurentia Clara Elisabeth van Haeften, echtgenoote van Johan Graafland Pz.

Zij was de weduwe van Mr. Albert Fabricius en hertrouwde eerst Mr. Pieter Cornelis Hasselaar en daarna op 5 October 1800 te ‘s-Graveland met Mr. Johan Graafland.
In haar testament stelde zij vast dat Mr. Graafland het vruchtgebruik had en tot erfgenamen werden benoemd Pieter Witsen Elias echtgenoot van wijlen haar dochter Adriana Wilhelmina Clara Fabricius en de kinderen van haar zoon Adriaan Cornelis Fabricius. Vruchtgebruiker en erfgenamen verkoopen de hofstede tenslotte aan Teunis Helwig Backer.
Hij testeerde deze hofstede waarbij nu ook Heilust behoorde aan zijn echtgenoote Susanne Johanna Gerardina van Noemer aan wie het bezit in 1825 werd toegescheiden.

Vrouwe van Noemer benoemde in 1827 bij testament hare twee kinderen Susanne Antoinetta Carolina Backer gehuwd met Frederik Ludolf Rente Linsen en Adriana Jacoba Backer die Jagtlust 29 October 1829 transporteerde aan Daniel Lodewijk Cristoph Martini die Vechtzigt onder Weesp bewoonde en nadien naar Jagtlust verhuisde. Op 31 Augustus
vindt alweer verkoop plaats aan Benjamin Tra Kranen, directeur van de Associatiekas te Amsterdam voor de koopsom van F. 18.000,-.
Op de publieke veiling 16 Augustus 1856 werd Jagtlust opnieuw te koop geboden door Vrouwe Gerardea Margaretha van Cleef weduwe van Benjamin Tra Kranen en haar kinderen, waarbij koper bleek te zijn Anton Bernard Sinkel koopman te Amsterdam die vijf jaar later 15 Februari 1861 de hofstede verkocht aan Jhr. Dr. Jan Pieter Six, heer van Hillegom en Wimmenum.

Jhr. Six was te Amsterdam 6 November 1824 geboren en liet het tegenwoordige huis verbouwen alwaar hij 17 Juli 1899 overleed. Het bestaande huis werd met één verdieping opgetrokken en het achterhuis aangebouwd. Vanaf 1861 is de buitenplaats in het bezit van de familie Six.
De volgende bewoner Jhr. Willem Six, heer van Wimmnum overleed eveneens op Jagtlust den 23 September 1919 waarna Prof. Jhr. Dr. Jan Six Jagtlust als zomerhuis benutte evenals na zijn overlijden te Amsterdam 8 December 1926 zijn echtgenoote de Douarière Six van Hillegom geboren Bosch Reitz.