Trompenburgh

De beschrijving van Trompenburgh en zijn bewonerseischt wegens de bekendheid van het buiten en van de woonplaats van een onzer groote Admiralen uit de Gouden Eeuw, waarop iedere Nederlander met recht trots is, een ruimere plaats. Waar hier de lezer bezig gehouden zal worden met plaatsbeschrijving, inrichting en bouw van het huis en een korte beschrijving van de persoon van de zeeheld die zoo’n vermaarde klank aan het landgoed heeft gegeven vindt men elders in het pas onlangs verschenen boek van de historieschrijver A. Hallema de geheele persoon van Cornelis Tromp geteekend. Aan het streven vasthoudend om iedere hofstede van het eerste begin af te behandelen moeten we weer eerst vermelden dat de kavels 20 en 21 toevielen aan Dr. Andries Bicker die we reeds eerder ontmoet hebben als stichter van Spanderswoud. Hij zal spoedig zijn kavels 20 en 21 verkocht hebben. Als eerste eigenaar van deze gronden, die hier een hofstede bouwt, wordt vermeld Dr. Jean van Hellemont wiens hofstede in het spraakgebruik bekend staat als “de Hofstede van de Heere van Hellemont”. Van Hellemont gedoopt te Amsterdam 21 Februari 1616 was de zoon van Jan van Hellemont en Dieuwertje Bicker, en was gepromoveerd in de beide Rechten en nadien gevestigd als advocaat op de Oude Turfmarkt – Behalve Raad, Commissaris en Schepen te Amsterdam werd hij in 1647 als Hoofdingeland van ‘s-Graveland benoemd, twee jaar later als schepen gekozen en van 1658-1665 was hij Hoofdingeland-Kerkmeester. In 1644, den 15en October huwde hij de eenige dochter van Dr. Matthijs van Raephorst, Margaretha die 8 Juli in de Nieuwe Kerk ten doop was gehouden. Margaretha van Raephorst behoorde later tot de vermogendste vrouwen der stad Amsterdam, evenwel werd zij in de memoires van Markies d’Ausson als “la vilaine femme” betiteld. Ook in het huwelijk met Cornelis Tromp voerde zij de commandostaf, en was onze zeeheld tot pantoffelheld gedegradeerd.
Het echtpaar van Hellemont bleef kinderloos evenals het huwelijk van zijn eenige broeder Dr. Gerard van Hellemont waardoor dit geslacht uitstierf. Margaretha van Raephorst was hun beider erfgename. Van het geslacht van Hellemont is niets meer overgebleven dan twee zeer fraaie 17e eeuwsche haardplaten die ik op Trompenburgh mocht ontdekken en die de eenige overblijfselen uit zijn hofstede zijn die in 1672 door de Franschen verwoest is, herinnerend aan de laatste nazaten van een geslacht dat eertijds Heeswijk als Drossaards diende. Mevrouw de Weduwe van Hellemont woonde op haar hofstede van 1665-1667 toen zij in dat jaar den 25ste Januari hertrouwde met de Luitenant-Admiraal Cornelis Tromp, Cornelis Tromp, geboren te Rotterdam 1 September 1629 (naar men zegt) was de zoon van Maerten Harpertsz Tromp en diens eerste vrouw Dina de Haes. Zijn carrière was als t’volgt; Kapitein ter zee 1650, Schout bij Nacht onder de Admiraliteit van Amsterdam 11 November 1655, Vice-Admiraal 1665, Luit-Admiraal 1666 en als zoodanig gedemitteerd 19 Augustus 1666. Generaal Admiraal en Rijksraad van de Koning van Denemarken, die hem tot Graaf van Syllisborg verheven had. Luit-Admiraal van Holland en West-Friesland 1677. Ridder Baronet in 1684 door de Engelsche Koning Karel II, Kannunnik ten Dom te Utrecht en wat voor ons in ‘s-Graveland van belang is Schepen in 1667, Schout des dorps 1675-76, Hoofdingeland, Kerkmeester en Dijkgraaf van 1676-1691.
Aldus lagen na zijn huwelijk de dorpsche belangen hem evenals zijn echtgenoote zeer na aan het hart. Reeds eerder is het rampjaar 1672 aangehaald toen de hofstee door de Franschen in asch werd gelegd. Alleen zijn dus de bovengenoemde haard platen in staat geweest om de vuurgloed te weerstaan. Uit de asch verrees de Trompenburgh zooals men het thans kent. In het huwelijk en het eigendom van een hofstede te ‘s-Graveland doet mij de eenige beweegredenen zien, dat juist Trompenburgh in dit dorp werd gesticht. Was ‘s-Graveland wel het geliefde oord van de vermogende Amsterdamsche patriciërs die in die dagen hun eenvoudige hofsteden alhier hadden, evengoed had Trompenburgh in een andere streek des lands gesticht kunnen worden. Waar men altijd verhaald dat de Staten van Holland en West-Friesland het huis hadden geschonken moet ik dit zeer in twijfel trekken. Een betreffende missive van de Staten is nimmer gevonden. Daar Margaretha die zooals we reeds melden, zeer vermogend was, in 1674 bedroeg dit F. 292.000,- en Tromp evenzeer niet van aardsch middelen (Dr. Martin geeft in Oud-Holland XIX een bedrag aan van het nagelaten kapitaal van Tromp F. 205.880,- hoewel het reg. d. Collat. succeessie aan geeft een somma van F. 161.684,-) verstoken was meen ik dat zij na 1672 de herbouw van de hofstede uit eigen middelen hebben bekostigd. (Brandschatting kwestie de Petersen). Tevens zij hier opgemerkt dat in de publicaties voorkomt hetgeen oorspronkelijk overgeschreven, is uit de Nederlandsche Stad en Dorpsbeschrijver uit 1794 dat Margaretha, verkeerdelijk “Baronesse” van Raephorst de naburige hofstede Spiegelrust bezat. Uit de transacties van Spiegelrust is dit al onmogelijk terwijl pas voor het eerst in 1903 door Dr. Johan E. Elias neergeschreven is dat Margaretha reeds gehuwd was geweest voordat zij de zeeheld huwde. De gevonden haardplaten met het wapen van van Hellemont versterken deze gedachtegang.
In 1678, blijkens een loodgieterddekplaatje, is het nieuwe huis geheel omgeven door water en in de vorm van een schip gebouwd, verrezen en het past ons thans, voor we verder gaan met de volgende bewoners, een woord te wijden aan de bouw.
Trompenburgh bestaat uit twee gedeelten, het voorste gedeelte de koepelzaal die door een smalle gang verbonden is met het achterhuis. Tot het midden der 19e eeuw was de toegang aan de achterkant over een houten brug. Binnengekomen leidt een breede kajuitstrap naar boven eindigend op de hall en afgesloten door een hekwerk als deel van de balustrade die om het trapgat heen gaat. Op de hall komen twee kamers uit die aan de Noord en Zuidzijde van het huis liggen. Op deeze verdieping liggen alle kamers en de koepelzaal. Gang en Hall zijn voorzien van bepaalde vlakken of nissen waarin paneelen met bloemen en vogeltafreelen beschilderd. Beide kamers aan de Noordzijde hebben beschilderde plafonds waarop Diana Endymon en de Avond worden voorgesteld. De schilderingen zijn gesigneerd met de naam Boerhout en dragen als jaartal 1680. Deze voorstellingen zijn in de hoeken aangevuld door grauwtjes die allerlei nautische instrumenten hanteeren. Op het achterhuis bevindt zich de commandobrug die bereikt wordt door een trap in twee gedeelten; vanaf deze brug zou men oudtijds de Zuiderzee kunnen aanschouwen. Wanneer we weer van de commandobrug afdalen en binnenshuis komen langs een kronkel trapje naar beneden, komen we uit in het tusschengedeelte dat ons thans naar de koepelzaal voert. Beneden draagt een zwaar gewelf de geheele bovenbouw die achtkantig van vorm is met vier uitbouwingen. De koepel is met lei bedekt en bekroond door een centrale schoorsteen waarop een fraai gesmeede windwijzer in de vorm van een schip voorzien van tuigen, vlaggen en kanonnen. Het binnenwerk is geheel beschilderd. Op zinnebeeldige wijze wordt hier een voorstelling gegeven van de vier in de zeventiende eeuw bekende werelddeelen.
Europa wordt voorgesteld door twee vrouwen waarvan de eene het model der koepelzaal, de andere een boek vasthoudt. Amerika uitgebeeld door twee Indiaansche vrouwen, de eene met een alligator terwijl de andere pijl en boog hanteert.
Azië is kenbaar aan de twee vrouwen met zonneschermen die omgeven worden door een olifant en leeuwen en een hoorn des overvloeds.
Tenslotte is het symbool voor Afrika twee negerinnen met kameelen.
Van de door Tromp gecommandeerde oorlogsbodems vindt men afgebeeld de “Witte Olifant”, de “Komeetster” en de “Hollandia”. Naast de “Gouden Leeuw” de admiraalsbodem van Tromp is tevens afgebeeld de “Royal Prince” het vlaggeschip van de Engelsche admiraal Edward Spragge. Wellicht komen mettertijd nog meerdere doeken te voorschijn daar latere geslachten kasten getimmerd hebben er overheen. De overige wanden worden gevuld met levensgroote schilderijen die Cornelis en Margaretha van Raephorst voorstellen en van Maarten Harpertszoon. Op deze doeken vindt men ook de verschillende wapens die de vader en zoon voerden. Aan de westzijden zijn twee schouwen aangebracht die, evenals de tegels waarmee de wanden bekleed zijn, ook maar geringe artistieke waarde hebben, zooveel te meer zijn de haardplaten van groote beteekenis. Deze platen dragen beiden het wapen van Dr. Jan van Hellemont zijnde in kleuren; gevierendeeld 1 en 4 in goud een rood getongde zwarten leeuw, 2 en 3 in blauw drie zespuntige gouden spoorraderen geplaatst 2 en 1 Helmteeken een uitkomende griffioen. Verder zijn in de koepelzaal op schriften en wapenspreuken aangebracht om nog meer luister bij te zetten ter eere van de vermaarde zeeheld. Boven de oostelijke ingang van de koepelzaal staat met gouden letters een gedicht dat toegeschreven wordt aan de dichter G. Brandt en aangebracht is in de 18e eeuw.
Kornelis Tromp.
Lt. Admiraal van Holland & West Friesland
over het kwartier van Amsterdam.
“Geen verf van Schilderijen, geen stift noch punt van staal
“Verbeeld door kracht van kunst als Amstels Admiraal
“Den Hollandsche Romein, den roem der Bataven
“Die gouden ketens en kronen van laurieren
“Die als een blixem viel in Karels trotsche vloot
“En vloeg van schip op schip in ’t aanzicht van den Dood
“Die duizenden verwon, die duizenden deed beeven
“Dies strijdbre Tromp zal door geen beeld maar daden leven.
Waar de koepel overgaat op de rechte wanden is een lijst aangebracht die de volgende spreuken en op Tromp betrekking hebbende gezegden draagt. Diagonaal tegenover elkaar staan de wapenspreuken van Margaretha van Raephorst respectievelijk Cornelis Tromp:
Lumine Solis en Fortes Creantur Fortibus
Terwijl de andere twee spreuken luiden;
Nil mihi vobiscum- Ludite-munc alios en In veni portum spes et Fortuna valeto.
Van buiten is de koepelzaal evenals het achterhuis geheel bekleed met houtwerk en gelukkig zijn bij de laatste restauratie de ramen weer voorzien van kleine ruiten en worden de vierkante bovenlichten die op eenige afstand boven de lange kozijnen voorkomen weer opengemaakt daar men ten tijde na 1810 bij een herstel het houtwerk over de bovenlichten heeft doen doorloopen. Gelijk hiermee is de houten brug die de toegang verschafte verwijderd en heeft men aan de achterzijde de grond aangedempt waardoor het huis niet meer rondom in het water kwam te liggen en thans over de breede dam toegangkelijk is. Onder de koepel in de nissen ter hoogte van het water staan uit hardsteen gehouwen beelden die Flora, Bacchus, de Faam, Ceres en Pluto voorstellen; van wiens hand deze zijn is onbekend.
Eveneens behoort tot het beelden bezit een prachtige groep die thans in de gang staat. Op een piedestal ziet men een figuur die eenerzijds een vrouw wegduwt terwijl aan de andere kant een omhelzing met een andere vrouw plaatsvindt. Moeilijk leesbaar staat nog ’n ten deele leesbare onderschrift; Quo Multi Placet
Non……..Gehouwen in 1726 door een beeldhouwer wiens naam L de ….. niet te herkennen valt. Of dit beeldhouwwerk iets te maken heeft met één der bewoners is niet vast te stellen. Trompenburgh mag zich rekenen tot één der voornaamste en -zeer uitzonderlijke bouwwerken uit de 17e eeuw en gelukkig is een bijtijds herstel in staat geweest om dit monument voor ondergang te behoeden. Margaretha van Raephorst die in de literatuur sprekende over Trompenburgh veelal voorkomt als Baronesse van Raephorst hetgeen onjuist is daar zij niets te maken heeft met het aloude Riddermatige geslacht van de van Raephorsten onder Wassenaar, stierf op deze hofstede den 14den Augustus 1690. Dat de baronale titel, die latere schrijvers aan haar toekende foutief was blijkt ook wel uit het Polderarchief waar zij een acte teekent als “Marita, gravin van Sylliesburgh”. In de dagen van Tromp heette deze hofstede Syllisburgh naar aanleiding dat Tromp door Christiaan IV Koning van Denemarken in de Gravenstand was verheven. Tevens blijkt dit uit een schilderij dat dit opschrift draagt en in de Staatlichen Kunstsammlungen te Kassel hangt voorstellende plattengrond, een generaal overzicht, de Noord en Zuidzijde van het huis. De foto die tot opschrift draagt “de Hofstede Syllisburgh 1704” is in bezit van schrijver. Nadien is de naam Trompenburgh ingevoerd en tegelijk werd de Hooge Dreuvik te Hilversum omgedoopt in de thans nog bestaande naam Trompenberg. Cornelis Tromp stierf in zijn huis te Amsterdam in 1691 in min of meer beklagenswaardige omstandigheden, omringd door de families die een strijd voerde over zijn erfenis, verstooten door de Prins van Oranje terwijl hij een zielestrijd doormaakte.
De volgende bewoner Jacob Roeters eerde de groote Nederlander door de naam Trompenburgh voor immer aan dit merkwaardige huis te verbinden. Mogelijkerwijs is de hofstede na Tromp verhuurd geweest aan Philip van der Goes; hij was Vice Admiraal van Holland en West-Friesland onder de admiraliteit van de Maze 1702-1704 die ‘s-winters te ‘s-Gravenhage woonde en ‘s-zomers behagen er in schepte de Trompenburgh te bewonen. Een transport acte wanneer Jacob Roeters de hofstede had gekocht is nergens aanwezig. Jacob Roeters had niet alleen Trompenburgh als bezit verworven doch ook de landerijen ten zuiden van de Gooische of Hilversumsche vaart die van ouds bekend zijn onder de naam Nieuwenhoek. Roeters, geboren te Amsterdam in 1663 ondertrouwde aldaar 22 Februari 1685 met Perina van Beusekom. Hunne dochter Sara geboren 14 April 1697 ondertrouwde alhier met haar neef Cornelis Roeters. Uit dit huwelijk stamde Perina Roeters van wie uit het trouwboek bekend is dat zij vanuit de Trompenburgh 26 Juli 1733 huwde met David de Leeuw van Lennep. Zij werd dus stammoeder van het bekende geslacht Roeters van Lennep. Uit verschillende acten blijkt dat Perina Roeters die voor 1750 reeds weduwe was van David de Leeuw van Lennep de Trompenburgh bewoonde. Haar grootvader Jacob Roeters was 1744 overleden en diens zoon Jacob de Jonge heeft het beheer over de bezittingen gevoerd en was later eigenaar.
Jacob Roeters de Jonge is in 1731 tot Schepen alhier verkozen terwijl hij in 1765 Hoofdingeland werd. Niet gehuwd geweest zijnde stierf hij in 1774 nadat hij eenige jaren tevoren d.d. 15 October 1771 de hofstede verkocht aan Mr. Matthys Straalman voor F. 20.850,-.
Mr Straalman bewoonde te ’s Graveland van 1762 tot 1771 Bousigt en verhuisde in het laatst genoemde jaar naar de veel grootere hofstede Trompenburgh. Hij was Heer van Duist, de Haar en Zevenhuizen Raad, Schepen en later Burgemeester van Amsterdam en was aldaar 21 Juli 1722 geboren. Zijn broeder Willem, heer van Ruwiel bezat de hofstede Zuid-Wolfsbergen. In 1756 was Mr. Matthys tot Luit. Opperhoutvester en Jagermeester van Gooiland benoemd en woonde nog te Amsterdam in de Bocht No. 487. Hij huwde in 1749 Cornelia Ansincq. Eenigerlei functie noch Hoofdingeland heeft hij in ‘s-Gaveland niet bekleed. 12 Augustus 1808 stierf hij op de Trompenburgh. Bij boedelscheiding werd dit bezit toegewezen aan zijn zoon Mr. Anne Willem Baron Straalman.
De jonge Straalman, geboren te ‘s-Gravenhage 6 October 1758 was Dijkgraaf en Drossaard van de stad en het graafschap Culemborg. Als weduwnaar van Johanna Maria Witsen huwde hij 12 April 1800 Anna Maria van der Lijn. Evenals zijn vader stierf hij op de Trompenburgh 18 Augustus 1824. Het huis met alle landerijen werd getransporteerd aan den Heer Everts die zich tot 1835 in het bezit daarvan heeft mogen verheugen, toen opnieuw de verkooping geschiedde aan Mr. Cornelis Jacobus van Bommel, die het buiten bewoond heeft tot zijn dood 31 Mei 1861 .Eenige erfgename was zijn dochter Catharina Cornelia Jeannette Henriette van Bommel evenwel heeft zij niet veel profijt hiervan gehad zij overleed krankzinnig te Meerenberg onder Bloemendaal 29 April 1903. 0mstreeks 1870 werd Trompenburgh bewoond door Jhr. Salomon Backer en Mevrouw Backer-de Wildt die later naar Spanderswoud verhuisde toen Mevrouw Backer-de Wildt van Douariere van der Oudermeulen de buitenplaats op het Noordereinde erfde.
Omstreeks de eeuwwisseling heeft een familie de Keyzer het huis bewoond. Later was het een Katholiek pensionnaat. Het verhaal gaat dat de toenmalige pastoor uit Kortenhoef waar ‘s-Graveland parochiaal onder viel, op bezoek kwam, hij het noodzakelijk vond dat voor het zieleheil van de meisjes alle blote boezems die de koepelzaal sierden overgeschilderd moesten worden. Later zijn, toen Frans Ernst Blaauw eigenaar werd, de overschilderingen weer verwijderd.
Trompenburgh heeft veel decennia leeggestaan en werd door de erfgenamen in 1904 in publieke veiling gebracht.
De buitenplaats met al zijn gronden langs de ‘s-Gravelandsche weg tot aan de Schuttersheide te Hilversum werd aangekocht door de Heeren F. E. Blaauw, Jhr. W. Six en G. van Mesdag die onderling het bezit verdeelden waarbij het eigenlijke Trompenburgh voor F. 168.500,- in handen kwam van de bewonder van Gooilust de Heer F. E. Blaauw die het huis nadien verhuurd heeft. Achtereenvolgens werd het bewoond door verschillende families.
Tenslotte legaleerde de heer Blaauw Trompenburgh in 1936 aan de Staat der Nederlanden die het bezit aanvaarde. Bij de restauratie is de oude toestand zoveel mogelijk benaderd. De heer H. J. Middendorp en Mevrouw Middendorp geboren Jonkvrouwe Berg resideerden alhier.
Mevrouw Middendorp, een nicht van Frans Blaauw en de heer Middendorp huurden het landgoed met dien verstande dat tot beider dood het huis door hen bewoond zou worden. Daarna zou de Staat de volle beschikking over het huis hebben. Daarna is het geheele huis grondig gerestaureerd en in huur gegeven.